ECLI:NL:RBROT:2010:BQ0438
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.H. van Breevoort - de Bruin
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens niet-zelfbewoning huurwoning
Een woningcorporatie vordert de ontbinding van de huurovereenkomst omdat de huurders volgens haar niet feitelijk woonachtig zijn in de gehuurde woning. De huurovereenkomst was oorspronkelijk aangegaan door gedaagde sub 1, maar na echtscheiding is het huurrecht toegekend aan gedaagde sub 2. Diverse verklaringen van omwonenden en een interventieteam wijzen erop dat de woning niet als hoofdverblijf wordt gebruikt en dat derden zonder toestemming in de woning verblijven.
De kantonrechter stelt vast dat op gedaagde sub 2 als huurder de verplichting rust de woning als hoofdverblijf te gebruiken en deze niet zonder toestemming aan derden in gebruik te geven. De door partijen overgelegde stukken geven echter onvoldoende duidelijkheid over het feitelijk verblijf van gedaagde sub 2. Daarom wordt de bewijslast bij haar gelegd om aan te tonen dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft.
Gedaagde sub 3 verblijft zonder toestemming in de woning, en omdat er geen gezamenlijk verzoek tot medehuur is ingediend, wordt aangenomen dat hij zonder recht in de woning verblijft. Tegen gedaagden sub 1 en 4 wordt verstek verleend. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering door gedaagde sub 2, waarna verdere beslissing volgt.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tegen gedaagde sub 1 en 4 toe en legt de bewijslast bij gedaagde sub 2 om haar hoofdverblijf in de woning aan te tonen.