ECLI:NL:RBROT:2011:BP6628
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over cessie en verrekening van vorderingen tussen Joystar en EB
Partijen, Joystar en EB, sloten een koopovereenkomst voor tennisrackets en ballen. Joystar leverde de goederen, maar EB betaalde slechts gedeeltelijk. H&S, leverancier van Joystar, cedeerde haar vordering op Joystar aan EB. EB maakte vervolgens gebruik van verrekening tegen haar eigen schuld aan Joystar. Joystar betwistte de cessie en stelde dat de vordering al was verrekend, waardoor cessie niet mogelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de cessie geldig was omdat Joystar geen verrekeningsverklaring had gegeven voorafgaand aan de cessie. De vordering was opeisbaar en EB was bevoegd tot verrekening. Joystar maakte een beroep op haar eigen verrekeningsbevoegdheid, die zij onverwijld had gemeld, waardoor de verrekening door EB geen rechtsgevolg had.
De rechtbank stelde dat EB onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van Joystar, vooral bij de tweede cessie na het faillissement van H&S, waardoor het beroep op verrekening onaanvaardbaar was op grond van redelijkheid en billijkheid. Het oordeel over het bestaan van een vordering van Joystar op H&S blijft nog open en wordt aan conclusiewisseling overgelaten.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af wegens onvoldoende onderbouwing en hield verdere beslissing aan in afwachting van nadere conclusies.
Uitkomst: De rechtbank erkent de cessie en verrekening deels, maar houdt verdere beslissing aan voor nadere conclusies over de vordering van Joystar op H&S.