ECLI:NL:RBROT:2011:BP6995
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs van beroepsfout advocaat bij ontslag op staande voet
De zaak betreft een civiele procedure waarin eiser stelt dat zijn advocaat onvoldoende en onjuist heeft geadviseerd over de financiële en juridische consequenties van een dreigend ontslag op staande voet. De rechtbank heeft in een tussenvonnis al enkele beslissingen genomen over de feiten en standpunten van partijen.
In de verdere beoordeling stelt de rechtbank dat eiser de stelplicht en bewijslast draagt voor zijn verwijt dat de advocaat hem niet juist heeft voorgelicht, met name over de houdbaarheid van het ontslag, de financiële risico's en de kans op een WW-uitkering. De rechtbank concludeert dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om te concluderen dat de advocaat tekort is geschoten in zijn voorlichting.
De rechtbank overweegt dat eiser voldoende is voorgelicht om een weloverwogen beslissing te nemen en dat er voldoende grond bestond om aan te nemen dat een ontslag op staande voet in rechte stand zou houden. Zelfs als de voorlichting niet geheel adequaat was, zou eiser zonder instemming met beëindiging op staande voet zijn ontslagen met negatieve gevolgen.
Daarom ontbreekt een juridische grondslag voor de vorderingen en worden deze afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder een forfaitaire vergoeding voor de advocaatkosten van Base Advocaten B.V. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A.M. Cooijmans op 19 januari 2011.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van tekortschieten van de advocaat in de voorlichting over het ontslag op staande voet.