ECLI:NL:RBROT:2011:BP8980

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/2441, 10/2442, 10/2443, 10/2444, 10/2445, 10/2446, 10/2447, 10/2448, 10/2449, 10/2450
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:44 AwbArt. 8:88 AwbArt. 4 Kaderrichtlijn 2002/21/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding beroepstermijn bij tariefregulering KPN

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) over de tariefregulering van KPN, waarbij zij stelden dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar was. Dit beroep werd ingediend na de wettelijke termijn van zes weken.

De rechtbank overwoog dat nieuw gebleken feiten en omstandigheden na het verstrijken van de beroepstermijn niet leiden tot ontvankelijkheid van het te laat ingediende beroep. De rechtbank verwees naar de bijzondere procedures in de Awb die adequate toegang tot de rechter bieden bij nieuwe feiten, waardoor een ruime uitleg van artikel 6:11 Awb Pro niet gerechtvaardigd is.

Verder oordeelde de rechtbank dat de door eiseressen aangevoerde Europese richtlijnen (Kaderrichtlijn 2002/21/EG en ONP-spraakrichtlijn 98/10/EG) geen aanleiding geven tot een andere uitleg van de nationale regelgeving. Het verzoek om prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie werd afgewezen.

De aangehaalde jurisprudentie bood eveneens geen grond voor ontvankelijkheid. Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en wees zij een veroordeling in de proceskosten af.

Uitkomst: De beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nrs.: AWB 10/2441 TELEC – T1, AWB 10/2442 TELEC – T1,
AWB 10/2443 TELEC – T1, AWB 10/2444 TELEC – T1,
AWB 10/2445 TELEC – T1, AWB 10/2446 TELEC – T1,
AWB 10/2447 TELEC – T1, AWB 10/2448 TELEC – T1,
AWB 10/2449 TELEC – T1, AWB 10/2450 TELEC – T1.
Uitspraak in het geding tussen
BT Nederland, gevestigd te Amsterdam,
Colt Technology Services B.V., gevestigd te Amsterdam,
Verizon Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam,
UPC Nederland B.V. en UPC Nederland Business B.V., gevestigd te Amsterdam,
EspritXB B.V., gevestigd te Almere,
Scarlet Telecom B.V., gevestigd te Lelystad, eiseressen,
gemachtigden mr. M.J. Geus en mr. G.J. Zwenne, advocaten te ’s-Gravenhage.
en
het College van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij brief van 11 juni 2010 hebben eiseressen op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld tegen de bij het beroepschrift gevoegde besluiten van verweerder inzake EDC en EDC/BULRIC tariefregulering. Verweerder heeft deze besluiten genomen in de periode variërend van juli 1998 tot november 2004.
Op 11 februari 2011 heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:44 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een comparitie van partijen plaatsgevonden, waar eiseressen bij gemachtigden zijn verschenen en verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. G.M. Szakály en mr. F. de Ruijter. Tijdens deze comparitie stond centraal de vraag of het overschrijden van de termijnen voor het indienen van het beroepschrift verschoonbaar is.
Partijen hebben bij deze comparitie uitgesproken dat voor de beantwoording van de vraag, of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, geen zitting noodzakelijk meer is.
2 Overwegingen
2.1.1 Eiseressen hebben beroep ingesteld naar aanleiding van het besluit van verweerder van
3 juni 2010 (OPTA/AM/2010/201638). Dit besluit ziet op de gedeeltelijke inwilliging van het verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van Tele2 Nederland B.V. (Tele2) inzake ontmiddelde tarieven.
2.1.2 Door dit Wob-besluit zijn eiseressen bekend geworden met het feit dat verweerder op verzoek van Tele2 onderzoek heeft gedaan naar (onder andere) de wijze waarop KPN gereguleerde wholesalediensten heeft gefactureerd en in hoeverre dit in overeenstemming is met (onder andere) de wholesale tariefregulering. Eiseressen is gebleken dat de wijze waarop KPN gereguleerde wholesale diensten heeft gefactureerd mogelijk niet in overeenstemming is met (onder andere) de in het beroepschrift genoemde besluiten.
2.1.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek van verweerder en de op grond van de Wob te verstrekken informatie kan het volgens eiseressen zijn dat verweerder overgaat tot het treffen van handhavende maatregelen. Indien verweerder daartoe niet over wil gaan, willen eiseressen zeker stellen dat zij alsdan niet alleen om formele redenen geen rechtsmiddelen kunnen indienen. Om deze reden stellen eiseressen thans beroep in.
2.1.4 Eiseressen hebben in het beroepschrift verzocht de behandeling van het beroep aan te houden tot de resultaten van het onderzoek en de informatie die verweerder in het kader van het onderzoek heeft verworven op grond van de Wob zijn verstrekt.
2.1.5 Eiseressen menen dat hun beroepen ontvankelijk zijn, omdat het te laat indienen van het beroepschrift verschoonbaar zou zijn. Voor zover het beroep op artikel 6:11 van Pro de Awb op zichzelf niettemin niet zou kunnen slagen, stellen eiseressen dat deze bepaling, in het licht van artikel 4 van Pro de Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en diensten (hierna: Kaderrichtlijn) en artikel 26 van Pro de Richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat (hierna: ONP-spraakrechtlijn) ruimer dient te worden uitgelegd, althans dat uit deze artikelen volgt dat de beroepen wel ontvankelijk moeten worden geacht.
2.2 De rechtbank overweegt het volgende.
2.2.1 Vast staat dat de beroepen niet binnen de daarvoor geldende wettelijk termijn van zes weken zijn ingediend.
2.2.2 Artikel 6:11 van Pro de Awb voorziet erin dat een te laat ingediend bezwaar- of beroepschrift onder omstandigheden toch ontvankelijk kan worden geacht.
2.2.3 Naar het oordeel van de rechtbank brengen na het verstrijken van de beroepstermijn opgekomen nieuw gebleken feiten en omstandigheden niet met zich dat een buiten de beroepstermijn ingediend geschrift ontvankelijk moet worden geacht.
2.2.4 De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de Awb voor de situatie zoals hier aan de orde bijzondere procedures kent, neergelegd in (analoge toepassing van) artikel 4:6 van Pro de Awb en artikel 8:88 van Pro de Awb. Gelet op deze voorzieningen, die bij relevante nieuw gebleken feiten en omstandigheden op een adequate wijze toegang tot de rechter bieden, is er geen grond voor de ruime uitleg die eiseressen aan artikel 6:11 van Pro de Awb geven.
2.2.5 Om diezelfde reden is er geen grond om aan te nemen dat artikel 6:11 van Pro de Awb, vanwege strijd met artikel 4 van Pro de Kaderrichtlijn en (daarvoor) artikel 26 van Pro de ONP-spraakrichtlijn, in het onderhavige geval toch op de door eiseressen gewenste wijze zou moeten worden uitgelegd. Het verzoek van eiseressen om ter zake hiervan prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie, honoreert de rechtbank daarom niet.
2.2.6 De door eiseressen aangehaalde jurisprudentie biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
2.2.7 Uit het voorgaande volgt dat de beroepen van eiseressen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
2.2.8 Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in tegenwoordigheid van R.P. Evegaars, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 24 maart 2011.
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseressen worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
Afschrift verzonden op: