ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1529
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij niet tijdige oproeping in vrijwaringsprocedure
In deze zaak ging het om de vraag of de rechtbank Rotterdam bevoegd was om kennis te nemen van een vordering in vrijwaring, nadat eisers de gedaagden niet binnen de door de rechtbank bepaalde oproepingsdatum hadden opgeroepen. De rechtbank stelde vast dat het recht om in vrijwaring op te roepen niet vervalt door het niet tijdig oproepen, omdat artikel 210 lid 3 Rv Pro geen sanctie stelt voor het ongebruikt laten passeren van de oproepingsdatum.
De gedaagden voerden aan dat de rechtbank niet bevoegd was omdat de oproeping niet binnen de gestelde termijn had plaatsgevonden en dat de zaak daarom naar de rechtbank Breda verwezen moest worden. De rechtbank verwierp dit verweer en wees erop dat artikel 133 lid 4 Rv Pro niet van toepassing is op het aanhangig maken van een nieuwe procedure, maar op de voortgang van een lopende procedure.
De rechtbank benadrukte het belang van proceseconomie en het voorkomen van tegenstrijdige vonnissen door hoofdzaak en vrijwaring door dezelfde rechter te laten behandelen. Gezien het ontbreken van zwaarwegende belangen van de gedaagden om de zaak te laten behandelen door de rechter van hun woonplaats, en het feit dat de hoofdzaak al bij deze rechtbank aanhangig is, verklaarde de rechtbank zich bevoegd.
Hoewel de eisers de termijnoverschrijding zelf hadden veroorzaakt zonder verklaring, bepaalde de rechtbank dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. De zaak werd verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd ondanks niet tijdige oproeping en wijst de vordering van gedaagden af.