ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7181

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
358511 / HA ZA 10-2165
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 RvArt. 1.9 procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank Rotterdam bij samenhangende vorderingen ondanks forumkeuzebeding

In deze civiele procedure vordert Burgfonds c.s. dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de hoofdzaak, stellende dat het forumkeuzebeding uit de koopovereenkomst slechts geldt jegens Burgfonds en niet jegens BO en BFO. De rechtbank oordeelt dat het forumkeuzebeding tussen DCMR en Burgfonds geldt en dat BO als opvolger van Burgfonds geldt, waardoor het beding ook jegens BO van toepassing is.

Daarnaast is de vordering jegens alle gedaagden gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, hetgeen samenhang creëert. Op grond van artikel 107 Rv Pro is de rechtbank daarom ook bevoegd ten aanzien van Burgfonds en BFO. De incidentele vordering tot onbevoegdheid wordt afgewezen en Burgfonds c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten.

De rechtbank bepaalt voorts dat een incidentele conclusie van eis in het kader van een incidentele onbevoegdheidsvordering niet het recht op een latere conclusie van antwoord in de hoofdzaak uitsluit. De zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord op 6 juli 2011. Uitsteltermijnen zijn ambtshalve peremptoir, een peremptoirstelling is niet vereist.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdheid af met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 358511 / HA ZA 10-2165
Uitspraak: 25 mei 2011
inzake:
het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING DCMR MILIEUDIENST RIJNMOND, gevestigd te Schiedam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het onbevoegdheidsincident,
advocaat mr. P.E.M. Klein,
- tegen -
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BURGFONDS B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BO BEHEER B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BFO ONTWIKKELING B.V., alle gevestigd te Zaltbommel,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het onbevoegdheidsincident,
advocaat mr. J.H.B. Crucq.
Partijen in het incident zullen hierna DCMR en Burgfonds c.s. genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding d.d. 31 maart 2010;
- akte overlegging producties;
- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;
- incidentele conclusie van antwoord, met producties;
- de bij gelegenheid van het pleidooi d.d. 16 mei 2011 overgelegde pleitnotities.
2. Het geschil in het incident
2.1 In het incident vordert Burgfonds c.s. dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Daaraan legt Burgfonds c.s. ten grondslag de opvatting dat de vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op onder meer een koopovereenkomst uit oktober 2007 (hierna: de koopovereenkomst) en dat bij die overeenkomst slechts incidenteel eiseres onder 1 (hierna: Burgfonds) partij was, zodat het in de overeenkomst opgenomen forumkeuzebeding niet geldt jegens incidenteel eisers onder 2 en 3 (hierna: BO respectievelijk BFO). Op grond van de algemene regels van relatieve bevoegdheid en gelet op de vestigingsplaats van BO en BFO, is niet deze rechtbank maar die te Arhnem bevoegd – aldus Burgfonds c.s.
2.2 DCMR heeft de vordering gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Subsidiair heeft volgens DCMR te gelden dat de incidentele conclusie van eis moet worden beschouwd als conclusie van antwoord in de hoofdzaak, zodat Burgfonds c.s. niet alsnog een conclusie van antwoord mag nemen. Meer subsidiair heeft DCMR de rechtbank verzocht te bepalen dat geen verder uitstel voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak zal worden verleend.
3. De beoordeling in het incident
3.1 Niet in geschil is dat de vordering in de hoofdzaak (mede) is gebaseerd op de koopovereenkomst. Vast staat ook dat die koopovereenkomst een forumkeuzebeding bevat waarin deze rechtbank als bevoegde rechtbank wordt aangewezen.
3.2 De koopovereenkomst is aangegaan tussen DCMR en Burgfonds. Als reden voor het tevens dagvaarden van BO en BFO heeft DCMR bij incidentele conclusie van antwoord aangevoerd dat de handelsnaam ‘Burgfonds’ inmiddels is verdwenen en dat ofwel BO ofwel BFO heeft te gelden als opvolger van Burgfonds, in elk geval ten aanzien van de koopovereenkomst. Bij pleidooi heeft Burgfonds c.s. aangevoerd dat BO moet worden beschouwd als partij bij de koopovereenkomst, en dus – zo begrijpt de rechtbank – als degene die Burgfonds in die hoedanigheid van contractspartij heeft opgevolgd.
3.3 Bij die stand van zaken moet worden geoordeeld dat in de verhouding tussen DCMR en BO (dus ook) het forumkeuzebeding uit de koopovereenkomst geldt. Dat betekent dat de rechtbank in elk geval bevoegd is van het geschil tussen deze partijen kennis te nemen.
3.4 De vordering in de hoofdzaak jegens alle drie gedaagden is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Dat blijkt al uit de dagvaarding en is tevens benadrukt bij incidentele conclusie van antwoord. Bij pleidooi heeft Burgfonds c.s. dit vervolgens niet weersproken. Aldus is onmiskenbaar sprake van samenhang tussen de vorderingen jegens de verschillende gedaagden. Daaraan doet niet af dat DCMR wellicht een niet (meer) bestaande rechtspersoon heeft gedagvaard (Burgfonds) of een rechtspersoon heeft gedagvaard die geen partij is bij de onderhavige koopovereenkomst (BFO). De feitelijke samenhang wordt daardoor niet aangetast. Gelet op het bepaalde in artikel 107 Rv Pro is deze rechtbank daarom ook bevoegd kennis te nemen van de zaak tegen Burgfonds en BFO.
3.5 Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. Burgfonds c.s. zal worden veroordeeld in de proceskosten.
3.6 Ten aanzien van het vervolg van de hoofdzaak geldt het volgende. Op een (uitdrukkelijk bij de wet geregelde) incidentele vordering tot onbevoegdheid moet naar haar aard eerst en vooraf worden beslist. Om die reden kan de gedaagde in de hoofdzaak op de voor de conclusie van antwoord (in de hoofdzaak) volstaan met een incidentele conclusie van eis. Daarmee is niet het recht vervallen op een later moment alsnog de conclusie van antwoord in de hoofdzaak te nemen. De zaak zal dan ook worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is niet gebleken. Evenmin bestaat aanleiding op voorhand te bepalen dat aan Burgfonds c.s. geen nader uitstel voor conclusie van antwoord zal worden verleend. In voorkomend geval zal naar de stand van zaken van dat moment worden beoordeeld of sprake is van klemmende redenen die een nader uitstel rechtvaardigen (artikel 1.9 procesreglement). Voor de goede orde wijst de rechtbank er op dat, anders dan Burgfonds c.s. blijkens haar opmerkingen bij pleidooi kennelijk meent, elk uitstel ‘ambtshalve peremptoir’ is. Een ‘peremptoirstelling’ is dus niet nodig.
4. De beslising
De rechtbank
in het incident
wijst de vordering af;
veroordeelt Burgfonds c.s. hoofdelijk in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van DCMR begroot op € 904,= voor advocatensalaris;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 6 juli 2011 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en uitgesproken in het openbaar.
1980/1729