ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7566
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevordering TBS-gestelde tegen TBS-kliniek wegens onrechtmatige intrekking proefverlof
De zaak betreft een schadevordering van een TBS-gestelde tegen de TBS-kliniek De Kijvelanden naar aanleiding van een ten onrechte ingetrokken proefverlof. De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat de intrekking van het proefverlof in beginsel onrechtmatig was, maar dat de vraag of er een rechtvaardigingsgrond bestaat nog nader moet worden onderzocht.
De discussie spitst zich toe op de uitleg van artikel 50 lid 3 van Pro de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BvT), die het hoofd van de inrichting toestaat het proefverlof in te trekken indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij. De TBS-kliniek stelt dat de intrekking gerechtvaardigd was vanwege het gedrag van de TBS-gestelde, waaronder achterstallige betalingen, verwaarlozing en het bezit van verontrustend materiaal, en dat de TBS-gestelde niet meewerkte aan resocialisatie.
De rechtbank stelt dat de rechtvaardigingsgrond niet voldoende is onderbouwd door de kliniek en geeft de TBS-gestelde de gelegenheid om hierop te reageren. Ook de omvang van de schade, zowel immaterieel als materieel, wordt nader onderzocht. De rechtbank erkent dat de intrekking leidde tot een ernstige beperking van de bewegingsvrijheid van de TBS-gestelde, wat een aantasting van de persoon oplevert en een wettelijke basis voor schadevergoeding kan vormen.
De zaak wordt aangehouden en verwezen naar de rol voor nadere uitlatingen over de rechtvaardigingsgrond, de schade en de omvang daarvan. De rechtbank wijst erop dat de vergoeding naar billijkheid kan worden vastgesteld, waarbij een vergoeding van de helft van de destijds gebruikelijke vergoeding bij ten onrechte ondergane hechtenis als uitgangspunt kan dienen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor nadere uitlatingen over rechtvaardigingsgrond en schadevergoeding.