ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8170
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident betreffende vordering uit nalatenschap met geldleningsovereenkomst
In deze civiele procedure vordert eiser, als executeur van de nalatenschap van zijn overleden vader, betaling van een geldbedrag van gedaagde, gebaseerd op geldleningsovereenkomsten die deel uitmaken van de nalatenschap. Gedaagde voert een incident in waarbij zij stelt dat de rechtbank niet bevoegd is en de zaak naar de rechtbank van haar woonplaats moet worden verwezen, omdat het volgens haar geen zaak betreffende een nalatenschap is.
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 104 lid 1 Rv Pro in zaken betreffende nalatenschappen ook de rechter van de laatste woonplaats van de overledene bevoegd is. De rechtbank kwalificeert de hoofdzaak als een zaak betreffende een nalatenschap, omdat de vordering betrekking heeft op een bedrag dat toekomt aan de nalatenschap.
De rechtbank stelt vast dat de laatste woonplaats van de overledene Rotterdam is en verklaart zich daarom bevoegd. De vordering tot onbevoegdheid wordt afgewezen. De uitspraak over de kosten wordt gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord van gedaagde.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdheid af.