ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8208
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing erfdienstbaarheid en gebruik strook grond tussen buren
In deze zaak staat centraal het geschil tussen buren over het gebruik van een strook grond van perceel A door de eigenaar van perceel B. De erfdienstbaarheid uit 1941, die het gebruik van een weg over perceel A regelde, is door de rechtbank opgeheven omdat de situatie waarvoor deze was ingesteld niet meer bestaat. De oorspronkelijke erfdienstbaarheid had betrekking op het bereiken van drie woningen op perceel B, die in 1988 werden gesloopt en vervangen door één woning met directe toegang vanaf de openbare weg.
De rechtbank oordeelt dat het huidige gebruik van de strook grond door de eigenaar van perceel B niet overeenkomt met de in 1941 bestaande wijze van gebruik en dat er geen sprake is van verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid. Tevens is vastgesteld dat de eigenaar van perceel B geen bezit te goeder trouw heeft omdat hij op de hoogte was van de beperkingen van de oorspronkelijke erfdienstbaarheid.
Verder is vastgesteld dat de eigenaar van perceel A en B in 1992 afspraken hebben gemaakt over het gebruik van de strook grond, waarbij de eigenaar van perceel A het gebruik door de eigenaar van perceel B heeft gedoogd zolang deze daar woonde. Deze duurovereenkomst kan niet zonder zwaarwegende grond worden opgezegd, en het doortrekken van de voortuin van perceel A wordt niet als zodanig beschouwd.
De rechtbank wijst de vorderingen van de eigenaar van perceel B af en wijst de opheffing van de erfdienstbaarheid toe. De eigenaar van perceel B wordt veroordeeld mee te werken aan de notariële opheffing van de erfdienstbaarheid en in de proceskosten.
Uitkomst: De erfdienstbaarheid uit 1941 wordt opgeheven en het gebruik van de strook grond is gebaseerd op een duurovereenkomst die niet zonder zwaarwegende grond kan worden opgezegd.