ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8224
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident kantonrechter bij aansprakelijkheid inlener uitzendkracht
In deze zaak staat een bevoegdheidsincident centraal waarbij de kantonrechter gevraagd wordt te bepalen of hij bevoegd is om kennis te nemen van een vordering van een uitzendkracht jegens de inlener. De eiser, een uitzendkracht, stelt de inlener aansprakelijk voor een bedrijfsongeval dat plaatsvond tijdens zijn werkzaamheden. De verzekeraar van de inlener erkent de aansprakelijkheid jegens de uitzendkracht.
De vordering van de uitzendkracht is gebaseerd op de aansprakelijkheid van de inlener volgens artikel 7:658 lid 4 BW Pro, dat de positie van uitzendkrachten ten opzichte van de werkgever en inlener gelijkstelt. De gedaagde partij, Chartis, stelt dat de zaak moet worden behandeld door de sector kanton van de rechtbank Rotterdam, omdat dit artikel de kantonrechter bevoegdheid geeft voor dergelijke geschillen.
De rechtbank overweegt dat de kantonrechter inderdaad bevoegd is, ook als alleen de inlener wordt gedagvaard en niet de werkgever. Dit volgt uit de ratio van artikel 7:658 lid 4 BW Pro en de toepasselijke procesregels (artikel 93 sub d Rv Pro). De rechtbank wijst daarom de incidentele exceptie van onbevoegdheid af en verwijst de hoofdzaak naar de kantonrechter. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.
Uitkomst: De rechtbank wijst de exceptie van onbevoegdheid af en verwijst de zaak naar de kantonrechter.