ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8224

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
370825 / HA ZA 11-178
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 lid 4 BWArt. 71 RvArt. 93 sub c RvArt. 93 sub d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident kantonrechter bij aansprakelijkheid inlener uitzendkracht

In deze zaak staat een bevoegdheidsincident centraal waarbij de kantonrechter gevraagd wordt te bepalen of hij bevoegd is om kennis te nemen van een vordering van een uitzendkracht jegens de inlener. De eiser, een uitzendkracht, stelt de inlener aansprakelijk voor een bedrijfsongeval dat plaatsvond tijdens zijn werkzaamheden. De verzekeraar van de inlener erkent de aansprakelijkheid jegens de uitzendkracht.

De vordering van de uitzendkracht is gebaseerd op de aansprakelijkheid van de inlener volgens artikel 7:658 lid 4 BW Pro, dat de positie van uitzendkrachten ten opzichte van de werkgever en inlener gelijkstelt. De gedaagde partij, Chartis, stelt dat de zaak moet worden behandeld door de sector kanton van de rechtbank Rotterdam, omdat dit artikel de kantonrechter bevoegdheid geeft voor dergelijke geschillen.

De rechtbank overweegt dat de kantonrechter inderdaad bevoegd is, ook als alleen de inlener wordt gedagvaard en niet de werkgever. Dit volgt uit de ratio van artikel 7:658 lid 4 BW Pro en de toepasselijke procesregels (artikel 93 sub d Rv Pro). De rechtbank wijst daarom de incidentele exceptie van onbevoegdheid af en verwijst de hoofdzaak naar de kantonrechter. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De rechtbank wijst de exceptie van onbevoegdheid af en verwijst de zaak naar de kantonrechter.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 370825 / HA ZA 11-178
VONNIS in het incident van 1 juni 2011
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. S.W. Hu,
tegen
de vennootschap naar Frans recht CHARTIS EUROPE S.A., rechtsvoorgangster van AIG EUROPE (NETHERLANDS) N.V. en h.o.d.n. “CHARTIS EUROPE”,
gevestigd te Nanterre, Frankrijk,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P. van den Broek.
Partijen zullen hierna “[eiser]” en “Chartis” genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 20 december 2010 met producties;
- de incidentele conclusie voor alles houdende exceptie van onbevoegdheid;
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. Chartis vordert dat deze rechtbank, sector civiel, de zaak verwijst naar de sector kanton, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Chartis stelt daartoe dat [eiser] indirect een beroep doet op artikel 7:658 lid 4 BW Pro, nu de vordering van [eiser] betrekking heeft op de in het verleden bestaande arbeidsrelatie met GTC. Op grond van artikel 71 Rv Pro jo 93 sub c Rv jo artikel 7:658 lid 4 BW Pro dient de sector kanton van de rechtbank een dergelijke aardvordering op grond van titel 7.10 BW kennis te nemen.
2.2. [eiser] geeft aan dat hij door zijn werkgever, uitzendorganisatie BV Star EM, is uitgeleend aan GTC. Hier heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Chartis heeft namens haar verzekerde GTC de aansprakelijkheid van GTC jegens [eiser] voor het ontstaan van het bedrijfsongeval erkend. Met behulp van artikel 7:658 lid 4 BW Pro is het voor uitzendkrachten, zoals [eiser], mogelijk om zowel de werkgever als de inlener, GTC, gezamenlijk aansprakelijk te stellen. [eiser] heeft echter enkel de inlener, GTC, aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad, zodat de absolute competentieregels van artikel 93 sub c Rv Pro geen toepassing vinden. [eiser] had zodoende de keuze om de zaak voor te leggen aan de rechtbank, sector civiel. [eiser] refereert zich evenwel aan het oordeel van de rechtbank.
2.3. De vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op de aansprakelijkheid van GTC als inlener jegens [eiser] als ingeleende arbeidskracht. Juist voor dergelijke verhoudingen is artikel 7:658 lid 4 BW Pro in het leven geroepen. Op grond van de tweede zin van artikel 7:658 lid 4 BW Pro is de kantonrechter (ook) bevoegd om kennis te nemen van het geschil ten aanzien van de inlener. De wettekst noch de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling geven aanleiding voor de interpretatie dat de kantonrechter enkel bevoegd is als zowel de werkgever als de inlener wordt gedagvaard. Artikel 7:658 lid 4 BW Pro is bedoeld om de positie van een uitzendkracht ten opzichte van de werkgever en de inlener gelijk te stellen. Gelet op deze ratio ligt het voor de hand dat in dat verband ontstane geschillen door dezelfde, gespecialiseerde rechter worden behandeld. In het onderhavige geval is de kantonrechter dus op grond van artikel 93 sub d Rv Pro jo artikel 7:658 lid 4 BW Pro bevoegd.
2.4. De rechtbank wijst, op grond van het vorenstaande, de incidentele vordering van Chartis toe.
2.5. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde toe;
3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;
in de hoofdzaak
3.3. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rol van de sector kanton van deze rechtbank, locatie Rotterdam, van dinsdag 29 juni 2011 te 10:00 uur, Wilhelminaplein 100/125, Postbus 50950, 3007 BL Rotterdam, waar partijen in persoon of bij gemachtigde dienen te verschijnen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.
2158/1980