ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8297
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bodemverontreiniging en matiging boete wegens niet bouwen woonhuis in Rotterdam
De gemeente Rotterdam en een erfpachter vorderen van de huurder aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging op meerdere percelen die voor 1981 zijn gehuurd. De huurder wordt geacht het perceel in goede staat te hebben ontvangen en dient het ook zo terug te geven, waarbij verontreiniging tijdens de huurperiode vermoedelijk door hem is veroorzaakt tenzij hij het tegendeel bewijst.
De huurder stelt dat de verontreiniging is veroorzaakt door eerdere gebruikers en derden, waaronder het gebruik van koolas als verharding en activiteiten van onderhuurders. Deze stellingen worden echter laat en onvoldoende concreet ingebracht, waardoor de rechtbank deze niet toelaat als tegenbewijs. De rechtbank acht vast dat het perceel in 1967 schoon was en de vervuiling na die datum is ontstaan.
Daarnaast is een boete aan de huurder opgelegd wegens het niet bouwen van een woonhuis op een perceel binnen drie jaar na vergunningverlening. De huurder voert aan dat geen bouwvergunning is verleend of dat deze is ingetrokken, maar dit verweer is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank matigt de boete tot een bedrag van €175.000 vanwege het ontbreken van actieve aansturing door de gemeente en het buitensporige karakter van de boete.
De rechtbank benoemt een onafhankelijke deskundige milieugeochemie om onderzoek te doen naar de oorzaak en omvang van de bodemverontreiniging op de betrokken percelen. Tevens wordt de procedure voortgezet met nadere stukken en conclusies na het deskundigenbericht.
Uitkomst: De rechtbank matigt de boete tot €175.000 en beveelt een deskundigenonderzoek naar de bodemverontreiniging.