ECLI:NL:RBROT:2011:BR0276
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. J. van Die
- Rechtspraak.nl
Huurcommissie niet bevoegd voor geschil over woonruimte op schip
De zaak betreft een geschil tussen eiser en gedaagde over de bevoegdheid van de Huurcommissie om uitspraak te doen over servicekosten verbonden aan een appartement op het appartementenschip [A]. Gedaagde huurt sinds 2004 een appartement op het schip dat is afgemeerd in de [X haven]. De Huurcommissie had in 2009 een uitspraak gedaan over de betalingsverplichting van gedaagde, maar eiser betwistte de bevoegdheid van de Huurcommissie omdat het schip geen woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW Pro zou zijn.
De kantonrechter verwijst naar eerdere jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2010, waarin werd geoordeeld dat een schip dat drijft en niet duurzaam met de bodem is verenigd, als roerende zaak moet worden aangemerkt. Ook het Hof van 1 februari 2011 bevestigde dat het appartementenschip [A] als schip moet worden gekwalificeerd en niet als gebouwde onroerende zaak, mede omdat het schip geregistreerd staat in het scheepsregister en regelmatig wordt verplaatst.
De kantonrechter concludeert dat de Huurcommissie niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek van gedaagde, omdat het gehuurde niet voldoet aan de definitie van woonruimte als gebouwde onroerende zaak. De primaire vordering van eiser wordt toegewezen en de Huurcommissie wordt onbevoegd verklaard. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Huurcommissie is onbevoegd om uitspraak te doen over het geschil omdat het appartementenschip als roerende zaak wordt gekwalificeerd.