Parketnummer: 10/660048-11
Datum uitspraak: 22 juni 2011
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [1988] te Rotterdam,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het [adres],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer,
raadsman R. Haze, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011.
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage A aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
EIS OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. Th. Slieker heeft gerekwireerd tot:
- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.
VERWEREN EX ARTIKEL 359a SV
Namens de verdachte is, onder verwijzing naar artikel 359 a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), gesteld dat er sprake is van een aantal onherstelbare vormverzuimen. Dit nu in het voorbereidend onderzoek de verbaliseringsplicht als neergelegd in artikel 152 Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd.
Een drietal processen-verbaal is ondeugdelijk opgemaakt, te weten:
1.het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 30 december 2010
2.het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 10 februari 2011
3.het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 11 februari 2011
In de eerste plaats klopt de datering van de drie genoemde processen-verbaal niet met de feitelijke (soms veel) latere ondertekening ervan door de getuigen.
Met betrekking tot het derde proces-verbaal is uit het verhoor van [getuige 2] op 21 april 2011 bij de rechter-commissaris gebleken dat [verbalisant 1] in het proces-verbaal gedateerd 11 februari 2011, ten onrechte niet onmiddellijk heeft vermeld dat hij aan de getuige ook de videobeelden en de stills van de uitzending van Opsporing Verzocht heeft getoond. Dat [verbalisant 1] dat in een aanvullend proces van 26 april 2011 (PL17F0 2010408449-57) alsnog heeft gerelateerd, maakt dat niet anders. Bovendien heeft [verbalisant 1], aldus de raadsman, ten onrechte verklaard dat eerst de politiefoto’s van de twee verdachten aan [getuige 2] zijn getoond waarbij de getuige kwam tot een 100% herkenning van [verdachte] en een 70% herkenning van [medeverdachte] en dat pas daarna naar de beelden van Opsporing Verzocht is gekeken. Dit terwijl uit de verklaring van [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris blijkt dat hij weliswaar eerst is geconfronteerd met de politiefoto’s van de verdachten, waarbij hij de [verdachte] voor 100% herkende, maar toen moeite had met de herkenning van de andere persoon. En dat hij vervolgens naar de printjes van stills van de beelden van Opsporing Verzocht heeft gekeken, toen uitkwam op een herkenning van 50% van de [medeverdachte] en dat hem vervolgens beelden van Opsporing Verzocht zijn getoond, waarna hij de mate van herkenning opschroefde tot 70%. Ten slotte heeft [getuige 2] het proces-verbaal uiteindelijk getekend zonder dat hij zijn verklaring voorshands (volledig) had doorgelezen.
Primair is gesteld dat deze onherstelbare vormverzuimen moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Subsidiair is bepleit dat de schending van de verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv dient te leiden tot uitsluiting van de genoemde processen-verbaal voor het bewijs.
Standpunt openbaar ministerie
De officier van justitie heeft - kort en zakelijk weergegeven - zich primair op het standpunt gesteld dat voor zover de door de verdediging genoemde punten al als vormverzuim en schending van artikel 152 Sv zouden moeten worden betiteld, deze in ieder geval inmiddels zijn hersteld door de verschillende op zijn verzoek opgestelde aanvullende processen-verbaal en het verhoor van [verbalisant 1] op de terechtzitting. Sancties zijn daarom niet aan de orde. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van onherstelbaar gebleken vormverzuimen, het gaat om slordigheden die niet de inhoud of de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring raken. Daarom is in ieder geval de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie niet aan de orde, nu niet is voldaan aan het strenge Zwolsman-criterium. Er is niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte gehandeld. Ook van bewijsuitsluiting van de door de verdediging genoemde processen-verbaal kan geen sprake zijn nu het bewijsmateriaal niet als gevolg van het vormverzuim is verkregen. In de visie van het openbaar ministerie zou de rechtbank dan met een constatering van het vormverzuim kunnen volstaan.
Datering processen-verbaal genoemd onder 1 tot en met 3
De als getuige gehoorde [verbalisant] heeft op de terechtzitting van 8 juni 2011 verklaard dat de processen-verbaal worden opgemaakt door middel van een speciaal politiecomputersysteem en dat een van de gebleken beperkingen van dit systeem is dat het niet mogelijk is om een toekomstige datum in te voeren bij het opmaken van een proces-verbaal. De [getuigen 1 en 2] waren - aldus [verbalisant 1] - op de dag van het opmaken van het proces-verbaal niet bereikbaar dan wel verhinderd om deze door te lezen en van een handtekening te voorzien. [Verbalisant] heeft de processen-verbaal om die reden op een latere datum, maar zonder de datering aan te passen, aan de getuigen ter ondertekening aangeboden.
Dat deze processen-verbaal niet onmiddellijk - al dan niet handgeschreven - van de juiste datum van ondertekening door de getuigen zijn voorzien, dan wel later zijn voorzien van de toevoeging dat zij op een andere datum zijn ondertekend, is een schending van artikel 152 Sv.
Nu de [getuigen 1 en 2] bij de rechter-commissaris mede op dit punt zijn ondervraagd en [verbalisant] op de terechtzitting een afdoende verklaring heeft gegeven over de oorzaak van de onjuiste datering is dit vormverzuim hersteld en is er daarom geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Overige gestelde gebreken in de verklaring [getuige 2]
Door [verbalisant] is nagelaten in het proces-verbaal, gedateerd 11 februari 2011, te relateren dat aan de getuige ook stills en beelden zijn vertoond van de uitzending van het programma Opsporing Verzocht. Tevens zijn niet alle door de [getuige 2] aan de verbalisant genoemde herkenningspercentages in het proces-verbaal genoemd.
De verbaliseringsplicht als neergelegd in artikel 152 Sv is aldus geschonden door onvolledig te relateren wat er precies tijdens het verhoor van 11 februari 2011 is voorgevallen.
[Verbalisant 1] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat het goed mogelijk is dat [getuige 2] praktisch onmiddellijk na overhandiging daarvan zijn verklaring heeft getekend en dat het dus ook mogelijk is dat deze zijn verklaring, anders dan aan het slot van het proces-verbaal staat vermeld, niet heeft doorgelezen.
Deze omstandigheid levert eveneens een schending op van artikel 152 Sv. Door de verklaring van [verbalisant 1] op de zitting is dit laatste vormverzuim echter hersteld.
[Getuige 2] is op 21 april 2011 omtrent het verhoor van [getuige 2] gehoord door de rechter-commissaris. Ook is door [verbalisant 1] hierover alsnog gerelateerd in een aanvullend proces-verbaal van 26 april 2011 (PL17F0 2010408449-57) en is hij hierover op de terechtzitting gehoord.
Geconstateerd wordt dat de verklaringen van [verbalisant] en [getuige 2] bij de rechter-commissaris uiteen lopen ten aanzien van het moment van mededelen door de getuige van het in het proces-verbaal genoemde herkenningspercentage van [medeverdachte] ten opzichte van de volgorde van vertoning van de politiefoto’s/stills & beelden van Opsporing Verzocht en het medium waarop de stills werden getoond (papier of beeldscherm).
Er is daarom in zoverre sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
Het belang van het voorschrift van artikel 152 Sv is dat duidelijk en toetsbaar is wat ter opsporing is verricht, zodat de rechter zo nodig de rechtmatigheid daarvan kan toetsen en zich een oordeel kan vormen over de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan. Die toetsing en oordeelsvorming is in het onderhavige geval bemoeilijkt. De gehouden getuigenverhoren van [getuige 2] en [verbalisant] noch het opgemaakte aanvullend proces-verbaal hebben echter kunnen leiden tot de vereiste duidelijkheid en toetsbaarheid, nu omtrent de inhoud van het verhoor onduidelijkheden zijn blijven bestaan. Anders dan waar de raadsman van uitgaat, is daarmee overigens zeker niet komen vast te staan dat de recollectie [verbalisant] aan de volgordelijkheid tijdens het verhoor onjuist is en die van [getuige 2] wel correct.
Met betrekking tot de ernst van dit onherstelbaar gebleken vormverzuim wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat doelbewust is getracht het tijdens het verhoor gepasseerde verborgen te houden. Het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt, is voornamelijk gelegen in het feit dat in dit strafgeding onevenredig veel tijd en aandacht is uitgegaan naar het ophelderen van de onduidelijkheden rond dit verhoor van [getuige 2].
Gelet op alle omstandigheden is de meest vergaande sanctie van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde. Er is immers, anders dan de raadsman heeft betoogd, geen ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (Zwolsman-criterium, HR NJ 1996, 249), noch is er sprake van een zeer fundamentele inbreuk waarbij het wettelijk systeem in de kern is geraakt als bedoeld bij het Karman-criterium (HR NJ 1999, 567).
Mede gelet op het feit dat de verklaring van [getuige 2] ten aanzien van de ‘gedeeltelijke herkenning’ van de [medeverdachte] niet voor het bewijs wordt gebruikt, wordt geoordeeld dat kan worden volstaan met de vaststelling/constatering dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op of omstreeks 22 december 2010 te Rotterdam op de openbare weg, te weten het Oostplein, , tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen onder andere geld (140 euro) en een mobiele telefoon (merk/type Sony Ericsson) en een horloge en(bank)pasje en een rijbewijs toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het:
- (onverhoeds) benaderen van die [slachtoffer] en- die [slachtoffer] duwen, waardoor die [slachtoffer] op de grond viel en
- die [slachtoffer] schoppen in het gezicht entegen het hoofd
entegen het lichaam en
- die [slachtoffer] ontdoen van zijn bovenkleding en
- het kapot trekken van de zakken van de pantalon van die [slachtoffer] en
- het horloge van de pols van die [slachtoffer] rukken;
2.
hij op of omstreeks 22 december 2010 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas, met daarbij behorende pincode tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet bevoegd was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het overzicht van de bewijsmiddelen en de redengevende inhoud daarvan is als bijlage B aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
De raadsman heeft aangevoerd dat voor het onder 1 tenlastegelegde feit onvoldoende bewijs voorhanden is.
Dit verweer wordt verworpen om de volgende reden.
De aangever en de [getuigen 1, 2 en 3] hebben allen consistent en specifiek verklaard over de twee Marokkaanse mannen die op 22 december 2010 in het café De Pui waren. De aangever en de [getuigen 1 en 2] hebben verklaard dat de twee mannen later tegelijk met aangever het café verlieten. De langere van de twee mannen (dader 1) werd [afkorting] of [bijnaam] genoemd en mengde zich in het café in een gesprek met aangever. De andere Marokkaanse man, dader 2, liep direct door naar de gokkast. [Getuige 1 en 3] hebben verklaard dat [afkorting] een groene vest met capuchon droeg. [Getuigen 3 en 2] hebben gezien dat [afkorting] ook een pet droeg. [Getuige 3] heeft verklaard dat dader 2 een of meerdere gouden tanden had.
De verdachte en [medeverdachte] hebben, naast de Nederlandse, beiden ook de Marokkaanse nationaliteit. De verdachte heeft als voornaam: [voornaam]. Het is algemeen bekend dat [afkorting] een afkorting is van deze voornaam.
De [getuigen 1 en 2] hebben, ieder afzonderlijk van elkaar, bij een enkelvoudige fotoconfrontatie de verdachte voor 100% herkend als de [afkorting] die op 22 december 2010 in café De Pui was geweest. [Getuige 1] heeft [medeverdachte] herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie als dader 2.
De meervoudige fotoconfrontatie is gehouden met personen die voldoende op elkaar leken en de [getuige 1] is volgens het geldende protocol voorgelicht en niet inhoudelijk gestuurd, zodat - anders dan door de raadsman is aangevoerd - van de rechtmatigheid van die fotoconfrontatie kan worden uitgegaan.
De verdachte en zijn medeverdachte zijn door [verbalisanten 1 en 2] herkend van de (stills) beveiligingsbeelden van café De Pui en van de verderop in de straat gelegen café De Dijk. Daarbij heeft [verbalisant 2] verklaard dat het rugkorset dat de [medeverdachte] onder zijn kleding draagt, te zien is als een verdikking, die ook op de beveiligingsbeelden zichtbaar is als de verdikking bij dader 2.
Naar aanleiding van de uitzending van het AVRO programma Opsporing Verzocht op 8 februari 2011, waarbij voornoemde camerabeelden zijn vertoond, is via het meldpunt Meld Misdaad Anoniem (MMA) de melding binnengekomen dat de daders zijn herkend als [medeverdachte] (met twee gouden tanden en wonende aan [adres] te Rotterdam) en Abdel (wonende aan [adres] te Rotterdam). Uit onderzoek bleek dat de ouders van [medeverdachte] woonachtig zijn aan [adres] te Rotterdam en bleek de verdachte inderdaad woonachtig te zijn op het in de melding genoemd laatstgenoemd adres aan [adres] te Rotterdam.
Bovengenoemde (stills) beveiligingsbeelden zijn op de terechtzitting van 8 juni 2011 getoond. De rechtbank heeft op de beelden in café De Pui gezien dat een van de aanwezige mannen een lichtkleurig petje draagt. Dit komt overeen met de verklaringen in het dossier en de foto’s die zijn aangetroffen in de bij de verdachte inbeslaggenomen Blackberry waarop de verdachte is te zien met een beige petje. Voorts heeft de rechtbank waargenomen dat [medeverdachte] twee gouden tanden heeft en dat hij een rugkorset draagt. Dit komt overeen met de verklaringen in het dossier en de beelden bij café De Dijk waarop een verdikking is te zien bij dader 2. Verder heeft de rechtbank gezien dat de haarinplant van dader 2 overeenkomt met de haarinplant van [medeverdachte]. Voorts heeft de rechtbank op de beelden van de pintransactie bij de ABN AMRO bank van 22 december 2010 waargenomen dat de persoon die deze pintransactie uitvoert dezelfde neus en mond heeft als de verdachte. Voorts zijn op de geheugenkaart van één van de telefoons van de verdachte meerdere fotografische afbeeldingen aangetroffen. Op die foto’s is de verdachte te zien met een beige pet op. Verder draagt de verdachte op één foto een groene capuchontrui met een opdruk. Zoals hiervoor is aangegeven hebben de [getuigen 1 en 3] verklaard dat één van de Marokkaanse mannen die in het café waren een groene trui met capuchon droeg. [Verbalisant] heeft verklaard dat de opdruk van de trui van de verdachte een exacte match is met de opdruk van de trui van de man die is te zien op de (stills) beveiligingsbeelden van de ABN AMRO bank.
De op de terechtzitting getoonde (stills) camerabeelden zijn in dit opzicht voldoende helder en duidelijk. Mede op grond van de eigen waarneming van de rechtbank worden daarom, anders dan door de verdediging is aangevoerd, geen redenen aanwezig geacht om te twijfelen aan de door getuigen en verbalisanten gedane waarnemingen en herkenningen van de verdachte en zijn medeverdachte.
Voorts is uit onderzoek naar de historische gegevens gebleken dat met het telefoonnummer van de verdachte op de avond van de beroving een zendmast is aangestraald op 575 meter afstand van café De Pui. Voorts blijkt uit de historische gegevens dat zowel het telefoonnummer van de verdachte als dat van [medeverdachte] enkele uren na de beroving is gelokaliseerd in de wijk Capelle-West. Uit onderzoek is gebleken dat in deze wijk een broer en een zus van [medeverdachte] woonachtig zijn op het [adres] te Capelle aan den IJssel. Op 1 januari 2011 zijn op 100 meter afstand van dit adres het rijbewijs, het horloge en persoonlijke bescheiden van aangever aangetroffen.
Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wordt bewezen geacht dat de verdachte en [medeverdachte] de onderhavige straatroof samen hebben gepleegd.
Ten aanzien van feit 2
De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit onvoldoende bewijs voorhanden is, omdat uit de verklaring van aangever niet blijkt of en op welke wijze aangever is gedwongen tot de afgifte van zijn pincode.
Dit verweer wordt verworpen om de volgende reden.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever in de nacht van 22 december 2010, op een tijdstip na 01.00 uur, is beroofd van de bankpas waarmee later die nacht, om 02:08 uur, door de verdachte bij de ABN-AMRO bank op de Willem Ruyslaan te Rotterdam het in de bewezenverklaring bedoelde bedrag van € 750 is gepind/opgenomen. Het is algemeen bekend dat het verrichten van een pintransactie bij een geldautomaat alleen kan plaatsvinden met behulp van een bankpas en de bijbehorende pincode. De verdachte moet dus om de genoemde transactie/opname te verrichten, behalve over de weggenomen bankpas van aangever, ook hebben beschikt over de bijbehorende pincode. Op welke wijze de verdachte de pincode van de aangever heeft verkregen is voor de bewezenverklaring niet relevant. Daarom zal het verweer van de raadsman verder onbesproken worden gelaten.
De bewezen feiten leveren op:
1.
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
2.
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
De feiten zijn strafbaar.
De verdachte is strafbaar.
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een brute en gewelddadige straatroof. Het slachtoffer, dat zij eerder die avond in een café hadden ontmoet, was ’s nachts op weg naar huis. De verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer na het verlaten van het café op grove manier met geweld overrompeld, waarbij zij hem meerdere malen met kracht tegen het lichaam en het hoofd hebben geschopt. Het slachtoffer heeft daarbij het bewustzijn verloren. Hij is onder andere van zijn geld, mobiele telefoon, horloge, rijbewijs en bankpas beroofd. Ook is hij van zijn jas en colbert ontdaan. Door de verdachten is hij zo bij een temperatuur van -4º C liggend in de sneeuw achtergelaten. Na een minuut of tien is hij door een toevallige passant gevonden, deze heeft ook een ambulance gewaarschuwd.
Vervolgens heeft de verdachte diezelfde nacht met de weggenomen bankpas van het slachtoffer een geldbedrag van de rekening van het slachtoffer gepind.
Dit is een ongelofelijk angstige gebeurtenis voor het slachtoffer geweest. Het slachtoffer heeft verklaard aan dit gebeuren niet alleen blijvend lichamelijk letsel in de vorm van littekens, een afgebroken voortand en een bloemkooloor te hebben opgelopen, maar hier ook ernstige psychische klachten aan te hebben overgehouden bestaande uit angststoornissen en een vorm van straatvrees. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij niet alleen het slachtoffer van de beroving rechtstreeks geraakt, maar ook een algemeen gevoel van onveiligheid in de samenleving aangewakkerd.
Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 mei 2011 weliswaar eerder is veroordeeld maar niet voor gewelddadige vermogenscriminaliteit.
Ook is acht geslagen op het rapport van de Reclassering Nederland van 31 mei 2011 dat over de verdachte is uitgebracht. In de conclusie staat vermeld dat er gelet op de ontkennende houding van de verdachte geen inschatting van het recidiverisico kan worden gemaakt, dat de verdachte geen hulpvraag heeft, zodat er ook geen reclasseringshulpaanbod wordt gedaan.
Anders dan de raadsman heeft bepleit, wordt geen aanleiding gezien om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Gelet op artikel 15, derde lid van het Wetboek van Strafrecht geldt wanneer de rechter gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (verder: VI) niet.
Aan de verdachte zal een gevangenisstraf van drie jaar worden opgelegd. Op grond van artikel 15, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht komt een veroordeelde tot een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van meer dan twee jaar, in beginsel na tweederde van de straftijd vrij. Een veroordeelde met een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het voorwaardelijk deel op minder dan eenderde is bepaald, is dan slechter af dan de veroordeelde tot een gevangenisstraf van gelijke duur maar dan geheel onvoorwaardelijk. Er moet dus een goede reden zijn indien de rechter van de VI-regeling afwijkt. Daarvoor zijn in dit geval geen aanknopingspunten gesteld of gebleken. De verdachte heeft duidelijk gemaakt op dit moment geen behoefte te hebben aan hulp van de reclassering. Mocht dat tegen het einde van zijn detentiestraf anders zijn, dan kan daaraan mogelijk invulling worden gegeven in het kader van bijzondere voorwaarden te stellen aan het VI -traject.
Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Gelet is op de artikelen 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,
en mrs. Van Lieshout en Trotman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Hofman-de l’Isle, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2011.
Bijlage A bij vonnis van 22 juni 2011:
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 22 december 2010 te Rotterdam op de openbare weg, te weten het Oostplein, althans een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen onder andere geld (ongeveer 140 euro) en/of een mobiele telefoon (merk/type Sony Ericsson) en/of een (gouden) horloge en/of (bank)pasje(s) en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:
meermalen, althans éénmaal, (telkens)
- (onverhoeds) benaderen van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] duwen, waardoor die [slachtoffer] op de grond viel en/of
- die [slachtoffer] schoppen/trappen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd
en/of op/tegen het lichaam en/of
- die [slachtoffer] ontdoen van zijn bovenkleding en/of
- het kapot trekken van (de zakken) van de pantalon van die [slachtoffer] en/of
- het (gouden) horloge van de pols van die [slachtoffer] rukken;
(artikel 312/310 Sr)
2.
hij op of omstreeks 22 december 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (te weten duizend euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas, met daarbij behorende pincode tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet bevoegd was/waren;
(artikel 311/310 Sr)