ECLI:NL:RBROT:2011:BR1241
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarigen wegens worteling in Nederland
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot teruggeleiding van drie minderjarige kinderen naar hun gewone verblijfplaats in de Westelijke Jordaanoever, ingediend door de vader via de Centrale Autoriteit. De moeder en de kinderen zijn in mei 2009 naar Nederland gekomen, waar zij sindsdien verblijven. De vader had voogdij gekregen in een procedure in de Westelijke Jordaanoever en eiste terugkeer van de kinderen.
De rechtbank stelde vast dat de kinderen ongeoorloofd werden achtergehouden in Nederland vanaf 28 augustus 2009, de datum waarop de toestemming van de vader voor verblijf in Nederland was verlopen. Het verzoek tot teruggeleiding werd pas in april 2011 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn van één jaar die het Haags Kinderontvoeringsverdrag stelt voor onmiddellijke terugkeer.
Daarom moest de rechtbank beoordelen of de kinderen in Nederland geworteld waren. Op basis van verklaringen van scholen, een neveninstroomproject en de moeder concludeerde de rechtbank dat de kinderen een sterke fysieke en emotionele band met Nederland hadden opgebouwd. De kinderen waren emotioneel gegroeid, hadden sociale contacten, en de oudste had goede studiekansen. De rechtbank oordeelde dat de worteling voldoende was aangetoond en wees het verzoek tot teruggeleiding af.
De overige verweren van de moeder, waaronder de oorlogssituatie in de Westelijke Jordaanoever en het verzet van de kinderen tegen terugkeer, behoefden geen verdere bespreking meer. De beschikking werd uitgesproken door drie kinderrechters op 30 juni 2011.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar de Westelijke Jordaanoever wordt afgewezen wegens worteling in Nederland.