ECLI:NL:RBROT:2011:BR1996
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot intrekking surseance van betaling en faillietverklaring schuldenaren
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de bewindvoerder om de voorlopige surseance van betaling van meerdere vennootschappen in te trekken en gelijktijdig faillissement uit te spreken. De (middellijk) bestuurder verleende aanvankelijk geen medewerking, maar verscheen wel ter zitting samen met zijn advocaat en de bewindvoerder.
De bewindvoerder stelde dat voortzetting van de surseance niet langer geïndiceerd was vanwege gebrek aan medewerking, onvoldoende communicatie en onvoldoende vooruitzichten op voldoening van schuldeisers. De bestuurder betwistte dit en gaf aan medewerking te verlenen voor zover mogelijk, met afspraken met de grootste schuldeiser ING over het beheer van de onroerendgoedportefeuille.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van kwade trouw van de schuldenaren in het beheer en dat de stand van de boedel en de vooruitzichten op voldoening van schuldeisers voldoende waren om de surseance te handhaven. De communicatie tussen bewindvoerder en bestuurder verbeterde en de rechtbank wees het verzoek tot intrekking af. De beschikking werd op 7 juli 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek tot intrekking van de surseance van betaling en faillietverklaring van schuldenaren wordt afgewezen.