ECLI:NL:RBROT:2011:BR4878
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om urgentieverklaring na ontruiming kamerwoning in Rotterdam
Verzoekers huurden elk een kamer in een pand te Rotterdam dat op 12 mei 2011 ontruimd werd wegens ernstige gebreken. Zij vroegen om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing, welke door verweerder werden afgewezen omdat de kamers niet als zelfstandige woonruimte kwalificeren. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening, welke door de voorzieningenrechter werd afgewezen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder op grond van de gewijzigde Huisvestingsverordening een publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om te beslissen over urgentieverklaringen en dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Verzoekers konden onvoldoende aannemelijk maken dat zij binnen drie maanden geen nieuwe woonruimte kunnen vinden. De situatie van verzoeker II werd verzacht doordat hij tijdelijk in een woonhotel verbleef en al een woningaanbod had afgewezen. Verzoeker I voldeed niet aan de regiobindingsvereiste en kwam niet in aanmerking voor opvang.
Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die tot afwijking van de verordening rechtvaardigen. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat het besluit geen inmenging in het gezinsleven oplevert. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en verwachtte dat het bestreden besluit in bezwaar in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot verstrekking van een urgentieverklaring wordt afgewezen.