ECLI:NL:RBROT:2011:BR5446

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
370020 / HA ZA 11-66
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot proceskostenzekerheid van postbusvennootschap Guernsey

In deze civiele procedure vordert de gedaagde dat de eiseres, Naranja Ltd., een postbusvennootschap gevestigd op Guernsey, zekerheid stelt voor proceskosten tot een bedrag van €12.000,--. De vordering is gebaseerd op artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat stelt dat partijen zonder woonplaats in Nederland op verzoek van de wederpartij zekerheid moeten stellen voor proceskosten.

De eiseres voert verweer met verwijzing naar het verdrag van 31 mei 1932 tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk, aangevuld met het verdrag van 17 november 1967 en een notawisseling uit 1975. Deze verdragen bepalen dat natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een verdragsluitende staat niet verplicht kunnen worden zekerheid te stellen voor proceskosten in de andere verdragsluitende staat, waaronder Guernsey valt.

De rechtbank oordeelt dat Naranja Ltd. onder de niet-natuurlijke personen valt die door het verdrag worden beschermd tegen zekerheidstelling. Het feit dat Naranja een postbusvennootschap is, doet hieraan niet af. Daarom wijst de rechtbank de incidentele vordering tot proceskostenzekerheid af. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot het stellen van proceskostenzekerheid af wegens het toepasselijke verdrag met het Verenigd Koninkrijk.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 370020 / HA ZA 11-66
Vonnis in incident van 10 augustus 2011
in de zaak van
1. [eiser1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiser3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiser4],
wonende te [woonplaats],
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht NARANJA LTD.,
gevestigd te Guernsey, Verenigd Koninkrijk,
6. de naamloze vennootschap naar Antilliaanse recht FINDING N.V. ,
gevestigd te Willemstad-Curaçao, Nederlandse Antillen,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. P.C. van As,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.G.J. van der Velden.
Partijen zullen hierna “[eisers]” en “[gedaagde]” genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- incidentele conclusie ex artikel 224 Rv Pro, alsmede conclusie van antwoord met producties;
- conclusie van antwoord in het incident met producties.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. Het geschil in het incident
2.1. [gedaagde] vordert dat de rechtbank Naranja gelast zekerheid te stellen voor een bedrag van € 12.000,-- door een bankgarantie volgens het Rotterdams model en Naranja veroordeelt in de kosten van dit incident. [eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de eis in het incident met veroordeling van incidenteel eiser in de kosten van het incident. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2. [gedaagde] stelt dat Naranja een postbusvennootschap is op Guernsey. Om die reden vordert [gedaagde] dat Naranja op grond van artikel 224 Rv Pro zekerheid stelt voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden door voor een bedrag van € 12.000,-- een bankgarantie volgens het Rotterdams model te stellen. Het bedrag is aangewezen gelet op de complexiteit van de zaak waardoor mogelijk diverse proceshandelingen verricht dienen te worden en de bereidheid van de natuurlijke personen die achter de vennootschap zitten tot procederen.
2.3. [eisers] verweert zich door te stellen dat op 31 mei 1932 tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk een verdrag is gesloten met betrekking tot juridische procedures, in civiele- en handelszaken. Op 17 november 1967 is er een aanvullend verdrag gesloten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Uit artikel 2 en Pro 3 van dit verdrag volgt dat natuurlijke- en rechtspersonen gevestigd op het grondgebied van één van de verdragsluitende staten in de andere verdragsluitende staat niet kunnen worden verplicht om in juridische procedures zekerheid te stellen voor proceskosten, het vastrecht daaronder begrepen. Tenslotte heeft [eisers] een notawisseling overgelegd tussen de Nederlandse regering en die van het Verenigd Koninkrijk tot uitbreiding van het verdrag. Hieruit volgt dat het verdrag vanaf 19 januari 1975 ook geld voor ondermeer Guernsey. Op grond van deze stukken kan volgens [eisers] Naranja niet verplicht worden om zekerheidsstelling te verstrekken voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden.
3. De beoordeling in het incident
3.1. [gedaagde] vordert zekerheidsstelling op grond van artikel 224 Rv Pro. Krachtens artikel 224 lid 1 Rv Pro zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, op vordering van de wederpartij verplicht tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding waarvan zij veroordeeld kunnen worden. Op grond van artikel 224 lid 2 Rv Pro bestaat deze verplichting niet, indien dit voortvloeit uit een verdrag of een EG-verordening.
3.2. Uit het verdrag van 31 mei 1932, aangevuld door het verdrag op 17 november 1967 en de notawisseling tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk volgt dat Guernsey op grond van artikel 3 van Pro het verdrag van 17 november 1967 niet verplicht kan worden om in juridische procedures zekerheid te stellen voor proceskosten. Dat Naranja een postbusvennootschap is volgens [gedaagde] doet hier niet aan af, nu Naranja valt onder de niet-natuurlijke personen vermeld onder artikel 1 lid 2 sub b en Pro sub c van het aanvullende verdrag van 17 november 1967. De incidentele vordering tot zekerheidsstelling zal dan ook worden afgewezen.
3.3. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1. wijst het gevorderde af,
4.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
4.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 augustus 2011 voor beraad omtrent het bepalen van een comparitie.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.
2158/1729