2.14. Hierover wordt als volgt geoordeeld:
a. Geen van partijen heeft voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de omstandigheden (1) en (2) in overwegende mate zijn toe te rekenen aan de ander. Zonder een gedegen onderbouwing kan niet aangenomen worden dat deze twee omstandigheden slechts aan één van partijen vallen toe te rekenen. De door [eiser] gestelde omstandigheid dat [gedaagde] door wilde gaan met RITC in afwachting van een mogelijke overname door Bital, is geen grond om [gedaagde] hiervoor alleen verant¬woordelijk te achten, alleen al omdat [eiser] hierin kennelijk is meegegaan. Daaren¬tegen is de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat hij niet structureel betrokken was bij de inkoop (zie het tussenvonnis d.d. 14 april 2010 onder 2.6.n) geen aanleiding om de omstandig¬heden (1) en (2) in overwegende mate aan [eiser] toe te rekenen, alleen al omdat [gedaagde] heeft verklaard dat hij met enige vertraging wel cijfers heeft gezien van RITC (zie het PV d.d. 24 augustus 2007) en gelet op zijn in voornoemd tussenvonnis vastgestelde betrokkenheid bij Ruberoid Polen.
De opmerking namens de erven van [gedaagde] bij gelegenheid van het pleidooi d.d. 20 juli 2011 over gebrekkige geleverde dakrollen en geringe dan wel negatieve mar¬ges over leveringen aan Ruberoid Polen laat de rechtbank buiten beschouwing, nu [gedaagde] zonder enige onderbouwing er aan voorbij gaat dat uit de getuigenverklaringen blijkt dat hij een zwaar stempel heeft gedrukt op de activiteiten in Polen en aan de in het tussen¬vonnis d.d. 14 april 2010 vastgestelde betrokkenheid van [gedaagde] bij de vaststelling van verkoopprijzen, zodat voor de hand ligt dat [gedaagde] bekend was met de finan¬ciering van Ruberoid Polen. Bovendien had [gedaagde] dit standpunt in een eerder, tijdig stadium van de procedure naar voren moeten brengen.
b. De overdracht van aandelen in Ruberoid Polen (punt 3) betreft de uitgifte van nieuwe aandelen in Ruberoid Polen, waardoor de deelname van RITC in deze vennoot¬schap verwaterde. Dit betreft hoofdzakelijk de uitgifte van aandelen aan Bital Polen. Zowel [eiser] als [gedaagde] waren hierbij betrokken. [eiser] verkreeg via Bital Polen aandelen in Ruberoid Polen (zie het tussenvonnis d.d. 27 oktober 2004 onder 2.1., 5de bulletpoint en tevens productie 2 bij dagvaarding, de overeenkomst waarin [eiser] 50% van de aandelen in Bital Polen overdroeg aan [gedaagde]), [gedaagde] heeft als vertegenwoordiger van RITC het besluit genomen tot het verhogen van het kapitaal van Ruberoid Polen (zie het tussenvonnis d.d. 14 april 2010 onder 2.6.i). In datzelfde besluit werd afgezien van het voorkeurs¬recht op het nemen van aandelen in het verhoogd kapitaal ten gunste van Bital Polen (zie productie 1 bij dagvaarding). Tevens heeft [gedaagde] niet betwist dat hij aandelen in Bital Polen zou kopen van [eiser], zodat hij ook op deze wijze betrokken was bij omstandigheid (3).
c. Omstandigheid (4) betreft de overdracht van merknamen aan Ruberoid Polen begin mei 1999. Nu beide partijen betrokken waren bij de deelneming door Bital Polen in Ruberoid Polen (zie hiervoor onder b), komt ook deze omstandigheid voor gezamen¬lijke rekening.
d. Onrechtmatig handelen na het faillissement (omstandigheid 5) kan buiten beschouwing blijven nu er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat dit uitein¬delijk heeft bijgedragen tot het tekort in het faillissement en dit zonder toelichting ook niet voor de hand ligt. Voor de omvang van de bijdrageplicht is dit dus niet relevant.
e. Naar niet in geschil is, ziet de gewraakte betaling van fl. 117.500,00 in 1998 (punt 6) op een arbeidsgeschil tussen [eiser] en [bedrijf 1] (ook wel aangeduid als [bedrijf 1]) althans diens dochtervennootschap Ruberoid Nederland B.V. [eiser] stelt dat het gaat om een vergoeding in verband met een concurrentiebeding dat hij in overleg met [gedaagde] heeft overtreden door in dienst te treden van RITC en dat hij met [gedaagde] had afgesproken dat RITC deze kosten zou dragen. Hij voert voorts aan dat dit nauw verbonden is met de afwikkeling van het geschil met [bedrijf 1] waarbij [gedaagde] volgens [eiser] nauw betrokken is. [gedaagde] betwist de gestelde afspraak en stelt dat het gaat om een onttrekking die is ingegeven doordat [eiser] geld zou hebben verduisterd bij Ruberoid Nederland B.V. Dit verweer is echter onvoldoende onderbouwd nu vaststaat dat [gedaagde] inderdaad betrokken was bij het geschil met [bedrijf 1] (zie (i) het tussen¬vonnis d.d. 14 april 2010 onder 2.6.k, (ii) het proces-verbaal d.d. 13 maart 1997 van het door [gedaagde] tegen ESHA Holding aanhangig gemaakte voorlopige getuigenverhoor bij de rechtbank Groningen en (iii) het vonnis van die rechtbank d.d. 25 september 1998 in de zaak van [gedaagde] tegen ESHA Holding, productie 13 bij de akte na enquête van [eiser]). [gedaagde] kon dan ook niet volstaan met de enkele stelling dat [eiser] dit bedrag had onttrokken aan RITC, maar hij had nader moeten ingaan op het geschil met [bedrijf 1]. Dit geldt te meer nu uit voornoemd vonnis van de rechtbank Groningen blijkt dat [gedaagde] van ESHA Holding heeft gevorderd dat deze zou bevestigen dat alle eventuele concurrentiebedingen van (onder meer) [eiser] zijn vervallen.
f. Omstandigheid (7) is een omstandigheid die door [gedaagde] bij gelegenheid van het (eerste) pleidooi op 7 januari 2003 is aangevoerd, die door [eiser] is betwist en waarop [gedaagde] daarna niet meer inhoudelijk is ingegaan. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader en onderbouwd op deze posten in te gaan om te onderbouwen dat het inderdaad om ongeoorloofde onttrekkingen gaat. Wat er bovendien verder ook zij van de aanwending van de betreffende bedragen, het betreft, naar [gedaagde] bij gelegenheid van het pleidooi van 7 januari 2003 zelf stelt, een totaalbedrag van fl. 20.000,00 en het is niet aannemelijk dat dit heeft geleid tot het faillissement met een tekort van fl. 2.000.000,00.
g. Omstandigheid (8) - het geven van valse informatie bij het verstrekken van een lening door [gedaagde] aan RITC - betreft een verwijt dat [gedaagde] [eiser] maakt met als kennelijke premisse dat [gedaagde] als buitenstaander onbekend was met de financiële situatie van RITC terwijl [eiser] dat wel was en dat [eiser] [gedaagde] daarom beter had moeten informeren. Gelet op de vaststelling van de rechtbank dat [gedaagde] feitelijk beleidsbepaler van RITC was, slaagt dit verwijt niet.