ECLI:NL:RBROT:2011:BR7071
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling van aansprakelijkheid tussen bestuurder en feitelijk beleidsbepaler voor kennelijk onbehoorlijk bestuur en faillissement
In deze civiele zaak stond de regresvordering centraal van een bestuurder jegens een feitelijk beleidsbepaler die op grond van artikel 2:248 BW Pro aansprakelijk is gehouden voor het tekort in het faillissement van RITC.
De rechtbank bevestigde in een tussenvonnis dat de gedaagde feitelijk beleidsbepaler was en wees een verzoek tot heroverweging daarvan af. De kern van het geschil betrof de onderlinge bijdrageplicht tussen eiser en gedaagde voor het door de curator gevorderde bedrag.
De rechtbank stelde vast dat beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak vormde van het faillissement. Geen van beiden kon zich disculperen. De rechtbank wees de argumenten van partijen af die stelden dat de ander de volledige schade moest dragen. Uiteindelijk werd geoordeeld dat het bedrag van €289.000,00 gelijkelijk verdeeld moest worden, waarbij gedaagde veroordeeld werd tot betaling van €144.500,00 plus wettelijke rente.
Daarnaast werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten en werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis bevat een uitgebreide analyse van de feiten, de rol van partijen, en de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het door eiser aan de curator betaalde bedrag wegens hoofdelijke aansprakelijkheid.