ECLI:NL:RBROT:2011:BT2344
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opeisbaarheid zakelijke lening en zorgvuldigheid bank bij opzegging kredietfaciliteit
De zaak betreft een vordering van ING Bank tegen een eenmanszaakhouder die een zakelijke kredietfaciliteit had. ING vorderde betaling van € 640.587,62 wegens vervroegde opeisbaarheid van de lening op grond van de algemene voorwaarden.
De kredietfaciliteit was verstrekt vanaf 2007 en verhoogd tot € 575.000,--. In 2008 en 2009 ontstonden betalingsachterstanden en de bedrijfsactiviteiten liepen sterk terug. Begin 2009 verkocht de ondernemer het bedrijfsterrein, waarvan de helft van de koopsom werd ontvangen op een andere bankrekening. ING stelde dat er gegronde vrees bestond voor onverhaalbaarheid van de vordering en sprak de lening op 23 december 2009 op.
De rechtbank oordeelde dat de opzegging niet onzorgvuldig was. De ondernemer was sinds eind 2009 niet bereikbaar vanwege voorlopige hechtenis, had geen omzet meer via ING, en de zekerheden waren beperkt. De vordering van ING werd toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De bank mocht de kredietfaciliteit beëindigen en de vordering opeisen gezien de omstandigheden en het risico op onverhaalbaarheid.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de ondernemer tot betaling van € 640.587,62 met rente en proceskosten wegens vervroegde opeisbaarheid van de zakelijke lening.