ECLI:NL:RBROT:2011:BT8793

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/4303 GEMWT-T1 en AWB 10/4347 GEMWT-T1
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan procesbelang bij last onder dwangsom

De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin aan vijf erfgenamen een last onder dwangsom was opgelegd om binnen zes maanden maatregelen aan een woning uit te voeren. Twee van deze erfgenamen maakten bezwaar tegen deze last, waarna het bezwaar deels werd gehonoreerd en zij niet langer als overtreders werden aangemerkt.

Eisers stelden beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank oordeelde dat zij niet ontvankelijk waren voor zover zij hun eigen overtrederschap ter discussie wilden stellen, omdat zij geen bezwaar hadden gemaakt tegen het primaire besluit, zoals vereist volgens artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verder bleek uit een inspectierapport dat de maatregelen tijdig en naar behoren waren uitgevoerd, waardoor eisers geen procesbelang meer hadden bij hun beroep. Ook hun stelling dat de kosten van renovatie door alle erfgenamen gedragen moesten worden, werd door de rechtbank verworpen, omdat deze kosten tot de nalatenschap behoren en het bestuursrechtelijk oordeel hier niets aan verandert.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en wees een veroordeling in de proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het niet tijdig maken van bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Meervoudige kamer
Reg.nr.: AWB 10/4303 GEMWT-T1 en AWB 10/4347 GEMWT-T1
Uitspraak in het geding tussen
[naam], wonende te [woonplaats], eiser 1,
[naam], wonende te [woonplaats], eiser 2,
[naam], wonende te [woonplaats], eiseres 3,
gemachtigde mr. A. van Diermen van Juridisch Adviesbureau mr. A. van Diermen te Ede,
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie, verweerder,
gemachtigde mr. K.I. Siem.
Aan de gedingen hebben mede als partij deelgenomen:
[naam], en [naam], gemachtigde
mr. drs. Y.M.M. Ooykaas, advocaat te Rotterdam.
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 20 mei 2010 heeft verweerder aan de erven [naam] een last onder dwangsom opgelegd. Voorts is hen medegedeeld dat, indien zij de last niet of niet tijdig uitvoeren, zij een dwangsom verbeuren van € 30.000,- ineens.
Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) hebben [naam] en [naam] bij brief van 25 juni 2010 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 20 september 2010 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit in die zin gewijzigd dat [naam] en [naam] niet langer als geadresseerden worden aangemerkt.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers 1 en 2 bij brief van 28 oktober 2010 en eiseres 3 bij brief van 1 november 2010 beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Aanwezig waren eiser 2 en gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. K.I. Siem en drs. F. van Vliet. Namens [naam] en [naam] is verschenen mr. J. Boelens, kantoorgenoot van hun gemachtigde.
2 Overwegingen
Bij het primaire besluit is aan de erven [naam], bestaande uit eiser 1, eiser 2, eiseres 3,
[naam] en [naam], een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat binnen zes maanden na de verzenddatum van de last alle op de bijgaande lijst vermelde maatregelen aan de woning op het adres [adres] te Rotterdam moeten zijn uitgevoerd. Daarbij is hen medegedeeld dat, indien zij de last niet of niet tijdig uitvoeren, zij een dwangsom verbeuren van € 30.000,- ineens.
In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in die zin gewijzigd dat
[naam] en [naam] niet langer als geadresseerden worden aangemerkt, omdat zij redelijkerwijs geen einde kunnen maken aan de overtredingen. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Eisers kunnen zich er niet mee verenigen dat [naam] en [naam] niet langer als overtreder worden aangemerkt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Eisers hebben geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Voor zover eisers met hun beroep beogen hun eigen overtrederschap ter discussie te stellen, overweegt de rechtbank dat artikel 6:13 van Pro de Awb hieraan in de weg staat. Om dit te bewerkstelligen hadden eisers bezwaar moeten maken tegen het primaire besluit. Het beroep is in zoverre niet ontvankelijk.
Eisers kunnen wel worden ontvangen in hun beroep voor zover dit is gericht tegen verweerders oordeel in het bestreden besluit dat [naam] en [naam] niet langer als overtreder worden aangemerkt.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of eisers een belang hebben bij het voeren van deze procedure. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank constateert dat het primaire besluit op 20 mei 2010 is verzonden. Gelet daarop dienden de maatregelen aan de woning vòòr 20 november 2010 te zijn uitgevoerd. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 11 november 2010 blijkt dat op 11 november 2010 ter plaatse een controle heeft plaatsgevonden door de inspecteur van de afdeling Toezicht Gebouwen van de gemeente Rotterdam. Deze inspecteur verklaart dat de noodzakelijke werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de op de lijst vermelde maatregelen aan de woning tijdig zijn uitgevoerd. Verweerder heeft dit oordeel ter zitting bevestigd. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat eisers geen dwangsom meer kunnen verbeuren. Hierin is derhalve geen procesbelang gelegen.
Eisers stellen dat hun belang is gelegen in de kosten die zij hebben moeten maken voor de renovatie van de woning aan de [adres]. Eisers willen dat deze kosten door alle erven [naam] worden gedragen. Volgens eisers kan het bestreden besluit, waarbij twee erven ¬ niet langer zijn aangemerkt als overtreders, ertoe leiden dat de renovatiekosten niet (langer) worden aangemerkt als een schuld van de nalatenschap. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De door eisers gemaakte kosten zijn gemaakt voor noodzakelijk onderhoud aan de boedel en komen derhalve ten laste van de nalatenschap. De erven profiteren immers ook allemaal mee van een eventuele waardevermeerdering van de woning door het gepleegde onderhoud. Een bestuursrechtelijk oordeel over het bestreden besluit brengt hierin geen verandering, zodat ook hierin geen procesbelang is gelegen.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eisers bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun beroep.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en mr. J.A.F. Peters en
mr. J.D.M. Nouwen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
De griffier: De voorzitter:
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2011.
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.