ECLI:NL:RBROT:2011:BU3005
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar Denemarken wegens verzet en rijpheid
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van een minderjarige naar Denemarken op grond van het Haagse Verdrag. De minderjarige was in juli 2010 voor vakantie naar haar moeder in Nederland gegaan en is sindsdien niet teruggekeerd. De vader, die mede het gezag over het kind uitoefent, had niet ingestemd met de achterhouding in Nederland, waardoor sprake was van een ongeoorloofde vasthouding volgens artikel 3 van Pro het Verdrag.
De rechtbank oordeelde dat minder dan één jaar was verstreken tussen de achterhouding en het verzoek tot teruggeleiding, zodat in principe onmiddellijke terugkeer moest volgen. Echter, de minderjarige, inmiddels 14 jaar oud, had vanaf haar aankomst in Nederland duidelijk en consequent aangegeven bij haar moeder te willen blijven. Zij had ook zelf contact gezocht met de vader om haar verblijf in Nederland te realiseren. De rechtbank concludeerde dat de minderjarige een eigen, niet door de moeder ingegeven, expliciete wens had geuit en voldoende rijp was om de gevolgen daarvan te overzien.
Op grond van artikel 13 lid 2 van Pro het Haagse Verdrag werd het verzet van de minderjarige erkend als een weigeringsgrond voor teruggeleiding. De rechtbank weigerde daarom het verzoek tot teruggeleiding. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek tot proceskostenveroordeling af en bepaalde dat partijen hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Denemarken wordt afgewezen wegens het expliciete en rijpe verzet van de minderjarige.