ECLI:NL:RBROT:2011:BU3686
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A. van ’t Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gedoogplicht ter verbreding waterloop en eigendomsrecht onder Waterwet
Verzoekster maakte bezwaar tegen het door het waterschapsbestuur opgelegde besluit tot gedoogplicht voor werkzaamheden ter verbreding van de Derde en Vierde Tocht in de Zuidplaspolder, waarbij een klein deel van haar perceel (2,26%) wordt gebruikt. Zij stelde dat sprake was van een feitelijke eigendomsontneming in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat onteigening noodzakelijk was voor volledige schadeloosstelling.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedoogplicht geen eigendomsoverdracht inhoudt, maar een gebruiksbeperking in het algemeen belang. De Waterwet voorziet in schadevergoeding, maar niet per se volledige schadeloosstelling zoals bij onteigening. De jurisprudentie onder de Waterstaatswet 1900 is ook van toepassing op de Waterwet, waarbij een geringe oppervlakte (minder dan 5%) aanleiding kan zijn om vol te staan met een gedoogplicht.
Gezien het geringe percentage van het perceel dat nodig is en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, was onteigening niet noodzakelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden aangevochten.
Uitkomst: Het beroep tegen de gedoogplicht wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.