ECLI:NL:RBROT:2011:BU4430
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Brandverzekering en verjaring bij vermoeden van brandstichting
De zaak betreft een geschil over de weigering van Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. om uit te keren onder een brandverzekering na een brand in de woning van eiser op 1 maart 2004. Allianz baseert haar weigering op het vermoeden dat eiser de brand zelf heeft gesticht, hetgeen eiser betwist. De rechtbank heeft allereerst het verjaringsverweer van Allianz beoordeeld, waarbij zij concludeert dat de vordering niet is verjaard vanwege stuitingen en het overgangsrecht van artikel 7:942 BW Pro.
Vervolgens heeft de rechtbank het materiële geschil beoordeeld, waarbij de deskundigen het eens zijn dat de brand is aangestoken, maar verschillen over het tijdstip van ontstaan. Het NIBRA concludeert dat de brand kort voor 7:12 uur ontstond, na het vertrek van eiser om 6:40 uur, terwijl Toplis een eerder tijdstip aanneemt. De rechtbank acht het NIBRA-rapport betrouwbaarder en concludeert dat de brand waarschijnlijk na het vertrek van eiser is ontstaan.
De rechtbank overweegt dat het gebruik van een brandvertragend mechanisme niet is uitgesloten, maar ook niet is aangetoond. Daarnaast is onvoldoende bewijs voor merkelijke schuld van eiser, mede omdat insluiping door een derde niet kan worden uitgesloten en het motief van eiser voor brandstichting niet overtuigend is aangetoond. De rechtbank wijst erop dat de Officier van Justitie de zaak tegen eiser heeft geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank geeft Allianz gelegenheid om aanvullend bewijs te leveren, onder meer door deskundigenonderzoek, en houdt verdere beslissing aan tot na ontvangst van nadere aktes. Het vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en op 2 november 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de vordering niet is verjaard en onvoldoende bewijs bestaat dat eiser de brand zelf heeft gesticht, en houdt verdere beslissing aan voor aanvullend bewijs.