ECLI:NL:RBROT:2011:BU5000
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.H. Veling
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak in leerplichtzaak wegens gegrond beroep op vrijstelling op basis van levensovertuiging objectivisme
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte, die het gezag uitoefent over zijn dochter, terecht een vrijstelling van inschrijving op school kon inroepen op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. Verdachte beriep zich op zijn levensovertuiging, het objectivisme, als grond voor vrijstelling. De officier van justitie vorderde een geldboete wegens het niet inschrijven van de dochter op een school.
De kantonrechter heeft uitgebreid onderzocht of de bedenkingen van verdachte tegen het onderwijs de richting van het onderwijs betreffen zoals bedoeld in de wet. Verdachte en zijn partner hadden aan de gemeente kenbaar gemaakt dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand gelegen scholen, gebaseerd op hun objectivistische levensbeschouwing.
De rechter concludeerde dat het objectivisme, zoals door verdachte toegelicht met verwijzingen naar Ayn Rand, een fundamentele oriëntatie en levensovertuiging vormt die de richting van het onderwijs raakt. De bedenkingen betreffen niet slechts de soort of inrichting van het onderwijs, maar de fundamentele inhoudelijke oriëntatie. Gezien de terughoudendheid die de wetgever voorschrijft bij de beoordeling van het gewicht van deze bedenkingen, werd de vrijstelling geaccepteerd.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van het niet inschrijven van zijn dochter op een school. Dit vonnis bevestigt dat een beroep op vrijstelling op grond van een levensbeschouwing die de richting van het onderwijs raakt, kan leiden tot vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat zijn beroep op vrijstelling op grond van zijn levensovertuiging objectivisme gegrond is.