ECLI:NL:RBROT:2011:BU7230
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag werknemer wegens bedrijfseconomische redenen niet kennelijk onredelijk
De werknemer trad in juni 2009 in dienst bij de werkgever als bedrijfsleider met de verwachting het bedrijf op termijn over te nemen. In 2010 werd hij op non-actief gesteld en ontslagen op grond van bedrijfseconomische redenen, waarvoor het UWV toestemming verleende. De werknemer betwistte de bedrijfseconomische noodzaak en stelde dat de werkgever hem een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven over de financiële situatie.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een slechte financiële situatie en dat het ontslag daarom gerechtvaardigd was. De stelling van de werknemer dat de financiële cijfers gemanipuleerd waren, werd niet gevolgd. Ook werd geoordeeld dat de werkgever het UWV adequaat had geïnformeerd over de voorgenomen bedrijfsactiviteiten.
De kantonrechter stelde dat er geen sprake was van een voorgewende of valse reden voor ontslag en dat het ontslag daarom niet kennelijk onredelijk was. Wel werd een comparitie gelast om te bespreken of de werkgever bij indiensttreding van de werknemer een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven, wat mogelijk gevolgen kon hebben voor de beoordeling van het ontslag. De werknemer vorderde een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, maar deze vordering werd afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot verklaring van kennelijk onredelijk ontslag en schadevergoeding wordt afgewezen; een comparitie wordt gelast om de financiële situatie bij indiensttreding nader te bespreken.