ECLI:NL:RBROT:2011:BV0429

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1163218
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.F. Lubberink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 843b RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs van geldontvangst op bankrekening

Stichting Studiefinanciering Curaçao (SSC) vorderde bewijs dat gedaagde geld van haar had ontvangen op een bankrekening met een specifiek nummer. De kantonrechter had SSC toegelaten om dit bewijs te leveren. SSC verzocht gedaagde om toestemming om bij een bank in Curaçao informatie op te vragen over de tenaamstelling van de rekening, maar gedaagde reageerde niet op dit verzoek en ook niet op verdere communicatie van de kantonrechter.

Het procesrecht kent geen algemene verplichting voor partijen om informatie of documenten te verschaffen, en de uitzonderingen in de artikelen 843a en 843b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waren niet van toepassing en ook niet ingeroepen door SSC. Artikel 22 Rv Pro was eveneens niet toepasselijk omdat het alleen ziet op reeds bestaande stukken, niet op stukken die voor de procedure gemaakt moeten worden.

Omdat SSC buiten haar verzoek om toestemming geen aanvullend bewijs of getuigen heeft ingebracht, kon de kantonrechter niet vaststellen dat gedaagde geld van SSC had ontvangen op de betreffende rekening. Daarom werd de vordering afgewezen. SSC werd veroordeeld in de proceskosten, welke aan de zijde van gedaagde op nihil werden vastgesteld omdat gedaagde in persoon procedeerde en geen kosten had gemaakt.

Uitkomst: De vordering van Stichting Studiefinanciering Curaçao wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector kanton
Locatie Rotterdam
vonnis
in de zaak van
de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting
Stichting Studiefinanciering Curaçao,
gevestigd te Willemstad, Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: Jepma Almere Gerechtsdeurwaarders te Almere,
tegen
[ged[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid met ‘SSC’ en ‘[gedaagde]’.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:
• het tussenvonnis van 24 juni 2011;
• de akte van SSC.
[gedaagde] heeft niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn gereageerd op de akte van SSC. De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
2.1 SSC is bij tussenvonnis van 24 juni 2011 toegelaten te bewijzen dat [gedaagde] geld van haar ontvangen heeft op de rekening met nummer [x].
2.2 Om te kunnen voldoen aan haar bewijsopdracht heeft SSC aan [gedaagde] om toestemming gevraagd om bij de [bank] in Curaçao informatie op te vragen over de tenaamstelling van de rekening. [gedaagde] heeft op dit verzoek niet gereageerd. Ook aan de kantonrechter heeft [gedaagde] niets meer laten weten.
2.3 Het procesrecht kent geen algemene regel die partijen tegenover elkaar of tegenover de rechter verplicht tot het verschaffen van informatie of documenten. Onder het verschaffen van informatie kan begrepen worden het geven van schriftelijke toestemming om informatie bij een bank op te vragen over de tenaamstelling van een bankrekening. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kent in de artikelen 843a en 843b uitzonderingen op de regel (of beter gezegd: op de ontbrekende regel), maar deze uitzonderingen missen toepas-sing in deze zaak, nog daargelaten dat SSC geen beroep heeft gedaan op die bepalingen. Ook artikel 22 Rv Pro mist toepassing. Het is immers niet duidelijk welk op de zaak betrekking hebbend stuk [gedaagde] op grond van die bepaling dan in het geding zou moeten brengen. Een verklaring waarin [gedaagde] aan de bank toestemming geeft om informatie aan SSC te geven, kan niet als een dergelijk stuk worden aangemerkt. Artikel 22 Rv Pro moet immers zo begrepen worden dat het ziet op stukken die reeds bestaan, niet op stukken die voor een procedure gemaakt zouden moeten worden.
2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] niet verplicht is om aan SSC toestem-ming te verlenen om informatie bij de bank op te vragen. Dit heeft tot gevolg dat, nu SSC buiten de brief waarin om toestemming is gevraagd, niets in het geding heeft gebracht dat tot het bewijs van haar stelling leidt, noch getuigen heeft voorgebracht, de kantonrechter tot geen andere conclusie kan komen dan dat SSC niet is geslaagd in het leveren van bewijs dat [gedaagde] van SSC geld heeft ontvangen op de rekening met nummer [x]. De vordering van SSC wordt daarom afgewezen.
2.5 SSC wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de proce-dure. Nu [gedaagde] de procesvoering in eigen hand heeft gehouden en gesteld noch gebleken is dat hij proceskosten heeft gemaakt, stelt de kantonrechter de proceskosten aan zijn zijde vast op nihil.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt SSC in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vast-gesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.