ECLI:NL:RBROT:2011:BV5038

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
349201 / HA ZA 10-643
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:942 BWArt. 337 lid 2 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tussentijds hoger beroep in verzekeringszaak over verjaring en overgangsrecht

In deze civiele procedure tussen eiser en Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. staat het verjaringsverweer centraal, waarbij de toepassing van het overgangsrecht van artikel 7:942 BW Pro wordt betwist. Allianz verzocht tussentijds hoger beroep toe te staan tegen het tussenvonnis waarin de rechtbank het verjaringsverweer afwees.

De rechtbank overwoog dat het verzoek om tussentijds hoger beroep een uitzondering betreft op de hoofdregel dat hoger beroep pas tegen het eindvonnis mogelijk is. Ondanks terughoudendheid achtte de rechtbank bijzondere omstandigheden aanwezig, omdat de afwijzing van het verjaringsverweer grote gevolgen heeft voor de procedure en de zaak nog inhoudelijk moet worden beoordeeld.

De rechtbank nam mee dat merkelijke schuld van eiser niet bewezen is en dat Allianz nog bewijs kan leveren. Het belang van eiser bij het voorkomen van vertraging woog minder zwaar, mede omdat hij de procedure jarenlang heeft laten liggen. Daarom werd het verzoek van Allianz toegewezen en mocht tussentijds hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Tussentijds hoger beroep wordt toegestaan tegen het tussenvonnis over het verjaringsverweer.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 349201 / HA ZA 10-643
Vonnis van 14 december 2011
in de zaak van
[eiser],
wonende te Haarlem,
eiser,
advocaat mr. R.W.J.M. te Pas,
tegen
de naamloze vennootschap
ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. A.J.P. van Beurden.
Partijen zullen hierna [eiser] en Allianz genoemd worden.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 november 2011
- de brief van mr. Van Beurden van 17 november 2011 met het verzoek tussentijds te mogen appelleren
- de reactie van mr. Roderburg namens [eiser] van 24 november 2011.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De beoordeling van het verzoek om tussentijds hoger beroep
Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank het beroep van Allianz op verjaring van de vordering van [eiser] afgewezen. In het tussen partijen gevoerd verjaringsdebat en in de beoordeling daarvan door de rechtbank staat centraal de betekenis van de invoering van artikel 7:942 BW Pro per 1 januari 2006 en het ter zake geldende overgangsrecht.
Ter onderbouwing van het verzoek om tussentijds te mogen appelleren heeft Allianz doen aanvoeren dat de rechtbank in haar visie het overgangsrecht in verband met artikel 7:942 BW Pro onjuist heeft toegepast. In de visie van Allianz is het algemene verjaringsrecht op de onderhavige rechtsverhouding van toepassing gebleven, hetgeen impliceert dat per 16 maart 2005 (de laatste stuitingshandeling) een verjaringstermijn is gaan lopen die niet opnieuw tijdig is gestuit. Niet nodig was, in de visie van Allianz, dat met de inwerkingtreding van het nieuwe recht alsnog een uitdrukkelijke afwijzing als bedoeld in artikel 7:942 lid 2 BW Pro aan [eiser] werd verzonden. Ter onderbouwing heeft Allianz voorts gewezen op een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 21 juni 2011.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek van Allianz. In dat verband heeft hij nader betoogd dat zijn vordering als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 7:942 BW Pro niet is verjaard. Voorts heeft hij gewezen op de vertraging die van een tussentijds appel het gevolg zou zijn, in verband waarmee volgens hem van belang is dat hij een consument is die al geruime tijd op zijn verzekeringsuitkering wacht.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van het verzoek van Allianz moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv Pro neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de omstandigheid dat beide partijen tussentijds hoger beroep bepleiten.
Dat laatste doet zich hier niet voor. Niettemin ziet de rechtbank aanleiding het verzoek van Allianz toe te wijzen. In de eerste plaats is van belang de aard van de gewraakte beslissing in het licht van de overige bij tussenvonnis genomen beslissingen. Consequentie van de verwerping van het beroep op verjaring is dat de zaak nog inhoudelijk ter beoordeling voorligt. Zou het verjaringsverweer zijn gehonoreerd, dan zou daarmee de zaak zijn geëindigd. Duidelijk is dus dat het hier gaat om een zwart/wit-situatie met in potentie grote gevolgen voor de uitkomst van de procedure. Dat geldt te meer nu de rechtbank bij tussenvonnis het geschil daadwerkelijk inhoudelijk heeft beoordeeld, onder meer aldus dat bij de huidige stand van zaken merkelijke schuld van [eiser] niet bewezen kan worden geacht en dat Allianz gelegenheid krijgt zich uit te laten over de vraag of zij nog bewijs wenst te leveren en, zo ja, haar bewijsaanbod te specificeren en te onderbouwen. Gegeven deze beoordeling kan niet worden uitgesloten dat nog nadere bewijsverrichtingen zullen volgen. Dergelijke proceshandelingen zijn niet nodig als mocht blijken dat in hoger beroep anders over het verjaringsverweer wordt geoordeeld. Hierbij komt dat Allianz haar verzoek op zichzelf voldoende heeft onderbouwd. Op grond van die onderbouwing kan niet op voorhand volstrekt worden uitgesloten dat het verjaringsverweer in hoger beroep anders wordt beoordeeld.
Tegenover deze omstandigheden staat het door [eiser] aangevoerde belang van het voorkomen van vertraging. De rechtbank acht dat bezwaar onvoldoende zwaarwegend. [eiser] refereert in dit verband aan het feit dat de brand in zijn woning al op 1 maart 2004 heeft plaatsgevonden en dat hij daarvoor al die tijd niet is gecompenseerd. Dat tijdsverloop is echter voor een wezenlijk deel aan hemzelf toe te rekenen, nu hij immers de zaak tussen 2005 en 2009 stil heeft laten liggen.
Het verzoek zal al met al dus worden toegewezen.
De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat, voordat het eindvonnis is gewezen, hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 2 november 2011.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.
1980/1694