ECLI:NL:RBROT:2012:6640

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 november 2012
Publicatiedatum
1 mei 2013
Zaaknummer
AWB-11_03038 - AWB-12_00255
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:41 AwbWet werk en bijstandWet op de rechtsbijstand
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking afwijzing bijstandsuitkering gemeente Rotterdam

Verzoekster had beroep ingesteld tegen afwijzing van haar aanvragen voor een bijstandsuitkering door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na een tussenuitspraak en nader besluit trok verweerder de afwijzingsbesluiten in en kende een bijstandsuitkering toe over de periode van 25 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011, inclusief een nabetaling.

Hierna trok verzoekster haar beroepen in en verzocht de rechtbank om een afzonderlijke uitspraak over de proceskostenvergoeding. Verweerder voerde geen verweer tegen dit verzoek. De rechtbank stelde vast dat verzoekster proceskosten had gemaakt en dat verweerder aan verzoekster was tegemoetgekomen.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten van €1311,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de verleende toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand. Tevens werd verweerder verplicht het griffierecht van €82,- aan verzoekster te vergoeden. De proceskosten worden rechtstreeks aan de griffier betaald.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1311,- en vergoeding van griffierecht van €82,- aan verzoekster.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11/3038 en AWB 12/255
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2012 als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres], te Rotterdam, verzoekster,
gemachtigde: mr. L.M. Deiman,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij de bestreden besluiten van 4 juli 2011 en 13 december 2011 de afwijzingen van de aanvragen van verzoekster om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) van 25 februari 2011 onderscheidenlijk 19 mei 2011, gehandhaafd.
Verzoekster heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 juni 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar dochter en door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Bij uitspraak van 23 augustus 2012 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan.
Bij besluit van 27 september 2012 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat de afwijzingsbesluiten worden ingetrokken en heeft verweerder over de periode van 25 februari 2011 tot en met 8 augustus 2011 een bijstandsuitkering aan verzoekster toegekend. Op 27 september 2012 heeft verweerder een nabetaling van € 4.465,86 aan verzoekster overgemaakt.
Bij brieven van 23 oktober 2012 heeft verzoekster de beroepen ingetrokken en op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 1 november 2012 aangegeven geen verweer tegen het verzoek om vergoeding van proceskosten te voeren.
Partijen hebben toestemming gegeven zonder nadere zitting op het verzoek om vergoeding van proceskosten uitspraak te doen. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen, dat verzoekster om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat verzoekster proceskosten heeft gemaakt.
2.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1311,- (twee keer 1 punt voor het indienen van een afzonderlijk beroepschrift in ieder van de zaken, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1 en één keer 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.
3.
De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, vierde lid, eerste volzin, van de Awb, het door verzoekster betaalde griffierecht van € 82,00 aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,- , te betalen aan verzoekster en bepaalt dat, nu aan verzoekster een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.
Deze uitspraak is gedaan door mr.C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2012.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.