Uitspraak
RECHTBANK DORDRECHT
gemachtigde: mr. E.A. van Dommelen-van der Lugt, werkzaam bij [c].
Rechtbank Rotterdam
Eiser beschikte over een exploitatievergunning voor een coffeeshop, die volgens verweerder van rechtswege was vervallen na oprichting van een vennootschap onder firma (vof) waarvan eiser medevennoot was. Verweerder legde een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de coffeeshop wegens vermeende overtredingen van de Opiumwet.
Eiser stelde dat hij zijn hoedanigheid als exploitant niet had verloren omdat de vof slechts een samenwerkingsverband was en hij mede verantwoordelijk bleef. De rechtbank oordeelde dat het standpunt van verweerder dat de vergunning van rechtswege verviel niet juist was, omdat eiser ook na oprichting van de vof mede-exploitant bleef.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk, maar gaf wel gegrondheid aan het beroep tegen het besluit tot handhaving van de last onder bestuursdwang wegens ondeugdelijke motivering. De werking van het besluit werd geschorst en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank bepaalde dat verweerder het coffeeshopbeleid opnieuw moet toetsen aan de juiste feiten en dat het geschil niet finaal kon worden beslecht. Het vonnis bevestigt dat wijziging van ondernemingsvorm niet automatisch leidt tot verval van een exploitatievergunning.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar en schorst de last onder bestuursdwang wegens ondeugdelijke motivering en onterecht vervallen verklaarde exploitatievergunning.