ECLI:NL:RBROT:2012:BV3733
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag op schip wegens onzekerheid bezit bunkers te goeder trouw
De zaak betreft een geschil tussen HPS Pagola, reder van het motorschip Pagola, en Gefo, leverancier van bunkers aan het schip. Gefo legde conservatoir beslag op het schip ter zekerheid van een vordering van $180.418,62 wegens onbetaalde bunkerleveringen. HPS Pagola betwist de vordering en stelt dat MEL Shipping, de charterer, verantwoordelijk was voor de bunkerleveringen en betaling.
De rechtbank oordeelt dat het internationale beslagverdrag niet van toepassing is omdat het schip onder de vlag van Antigua en Barbuda vaart, die het verdrag niet langer toepast. Uit de charterparty blijkt dat MEL verantwoordelijk was voor bunkers, en Gefo heeft onvoldoende bewijs geleverd dat HPS Pagola de bunkers te goeder trouw bezit. De waarde van de in het schip achtergebleven bunkers bedraagt €70.500.
De rechtbank concludeert dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat HPS Pagola contractueel gehouden is tot betaling, noch dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt. Daarom is het beslag in beginsel gegrond, maar wegens het belang van HPS Pagola bij opheffing wordt het beslag opgeheven onder de voorwaarde dat HPS Pagola een bankgarantie stelt van €91.650 conform het Rotterdams garantieformulier.
De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De bodemprocedure over de vordering zal in Duitsland plaatsvinden.
Uitkomst: Het conservatoir beslag op het schip Pagola wordt opgeheven onder de voorwaarde van zekerheidstelling door HPS Pagola via een bankgarantie van €91.650.