ECLI:NL:RBROT:2012:BV3882
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en bedrijfsongeval
Eiser, werkzaam als uitvoerder bij een bouwbedrijf, liep tijdens het verplaatsen van een zwaar metalen hek op de bouwplaats een knie- en heupbreuk op na een ongeval waarbij een passerende auto betrokken was. De aansprakelijkheid van de automobilist en werkgever werd betwist. Eiser stelde zijn werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW Pro en voerde daarnaast aan dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was volgens artikel 7:681 BW Pro.
De rechtbank stelde vast dat het ongeval tijdens de uitoefening van werkzaamheden plaatsvond en dat eiser schade had geleden. De werkgever had echter voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen, waaronder certificeringen, beschermingsmiddelen en veiligheidsplannen. Eiser was een ervaren uitvoerder die bekend was met de risico’s en de gebruikelijke werkwijze om hekwerken met twee personen te verplaatsen. Het enkel alleen verplaatsen van het hek zonder assistentie was een bewuste keuze van eiser, waardoor de werkgever niet aansprakelijk kon worden gehouden.
Ten aanzien van het ontslag oordeelde de rechtbank dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Eiser was al meer dan drie jaar arbeidsongeschikt en terugkeer was niet te verwachten. De werkgever had voldoende belang bij het ontslag en de gevolgen voor eiser waren gering. Er was geen sprake van onvoldoende re-integratie-inspanningen of andere omstandigheden die het ontslag onredelijk maakten.
De vorderingen van eiser tot schadevergoeding wegens zowel het bedrijfsongeval als het kennelijk onredelijk ontslag werden afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eiser tot schadevergoeding wegens bedrijfsongeval en kennelijk onredelijk ontslag worden afgewezen.