ECLI:NL:RBROT:2012:BV9335
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij te late betaling griffierecht in verzetprocedure
In deze civiele zaak bij de Rechtbank Rotterdam stond de te late betaling van het griffierecht centraal. Opposant had het griffierecht pas op 9 februari 2012 betaald, terwijl dit uiterlijk 25 januari 2012 had moeten gebeuren. De rechtbank stelde vast dat opposant dit te laat had gedaan en gaf haar de gelegenheid om zich uit te laten over de reden van de late betaling en om een beroep te doen op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv.
Opposant stelde dat zij het griffierecht pas betaalde nadat haar advocaat een aanmaning van de griffie van 3 februari 2012 had ontvangen, omdat de eerste nota niet was ontvangen. Zij wees op de ernstige gevolgen van een niet-ontvankelijkverklaring. De eiser betoogde dat deze omstandigheden geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule vormden, mede omdat van een advocaat verwacht mag worden dat hij op de hoogte is van de betalingsverplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op de hardheidsclausule onvoldoende was onderbouwd, met name omdat de aanmaning niet was overgelegd. De rechtbank gaf opposant daarom een tweede kans om de aanmaning alsnog in te brengen en toe te lichten waarom zij meende dat betaling op basis daarvan nog tijdig was. Dit vanwege de jurisprudentie die stelt dat verwarringwekkende informatie van de gerechtelijke administratie aanleiding kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule en vanwege de grote materiële gevolgen van een niet-ontvankelijkverklaring in een verzetprocedure.
De rechtbank hield verdere beslissing aan en verwees de zaak naar de rolzitting van 21 maart 2012 voor nadere stukken en reactie van de eiser.
Uitkomst: Rechtbank verleent opposant een tweede kans om de late betaling van het griffierecht te onderbouwen met een beroep op de hardheidsclausule en houdt verdere beslissing aan.