ECLI:NL:RBROT:2012:BW4692
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- D. Haan
- R.H.L. Dallinga
- M.J.S. Korteweg-Wiers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn bij beëindiging subsidie maatschappelijke dienstverlening
Eiseres exploiteert een multicultureel centrum voor opvang en maatschappelijke dienstverlening aan kinderen en ouders in achterstandssituaties en ontving sinds 2003 een structurele subsidie voor plusopvang. Verweerder, het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven, besloot in 2011 deze subsidie te beëindigen vanwege een gewijzigde beleidsvisie en bezuinigingen.
Eiseres maakte bezwaar tegen de beëindiging en stelde dat verweerder geen redelijke termijn in acht had genomen om de subsidie te beëindigen, waardoor zij onvoldoende tijd had om haar activiteiten af te wikkelen en een reorganisatie te realiseren. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn aanving op 22 oktober 2010, toen het voornemen tot bezuiniging werd aangekondigd, en niet eerder bij de algemene brief van 7 mei 2010.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn bedoeld is om de subsidieontvanger in staat te stellen rechtmatige verplichtingen jegens derden af te wikkelen, zoals het naleven van opzegtermijnen bij ontslag, en niet om de onverkorte voortzetting van activiteiten te garanderen. Eiseres had geen kosten gemaakt die direct verband hielden met het afwikkelen van verplichtingen, en de maatschappelijke werkster kon intern worden herplaatst.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom het advies van de bezwaarcommissie niet was gevolgd en dat de subsidiebeëindiging per 1 januari 2011 niet onredelijk was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de subsidie is ongegrond verklaard omdat de redelijke termijn correct is toegepast.