ECLI:NL:RBROT:2012:BW9829
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. de Wildt
- M. Schoneveld
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding meldingsplicht Mededingingswet bij concentratie verzekeraars
Eisers, die aandelen in Fortis Corporate Insurance N.V. hebben verkregen, kregen een boete opgelegd wegens het niet tijdig melden van een concentratie zoals vereist in artikel 34 van Pro de Mededingingswet. De kern van het geschil betrof de uitleg van de meldingsdrempels in artikel 29, eerste lid, en artikel 31, tweede lid, van de Mededingingswet, waarbij eisers stelden dat er drie drempels zijn, terwijl verweerder en de rechtbank oordeelden dat er slechts twee drempels gelden.
De rechtbank concludeerde dat de wetsteksten duidelijk zijn en dat het lex certabeginsel niet is geschonden. Eisers konden zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel of op onduidelijkheid, aangezien zij redelijkerwijs hadden moeten weten dat zij de meldingsplicht hadden overschreden. De verwijtbaarheid van het niet melden was volledig aan eisers toe te rekenen.
Wat betreft de hoogte van de boete oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht de Boetecode 2007 heeft toegepast en dat het gebruik van de omzet als basis voor de boetegrondslag niet onredelijk is. Wel constateerde de rechtbank dat de Boetecode 2007 kan leiden tot willekeur en ongelijkheid, omdat de boetegrondslag afhankelijk is van het moment van oplegging van de boete. De rechtbank paste daarom de bestuurlijke lus toe en gaf verweerder de gelegenheid het gebrek in de motivering te herstellen of de boete aan te passen om ongelijkheid te voorkomen.
Uitkomst: De rechtbank past de bestuurlijke lus toe en geeft verweerder acht weken om het motiveringsgebrek in het boetebesluit te herstellen.