ECLI:NL:RBROT:2012:BX6192
Rechtbank Rotterdam
- Verzet
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis gericht tegen voormalige vennoten VOF
Opposante kwam in verzet tegen een verstekvonnis waarin zij was veroordeeld tot betaling aan de VOF. In haar verzetdagvaarding richtte zij zich echter niet tot de VOF, maar tot de voormalige vennoten van de VOF, met het argument dat de VOF ten tijde van het uitbrengen van het verzet niet meer bestond.
De rechtbank oordeelde dat de VOF op het moment van de oorspronkelijke dagvaarding nog niet was ontbonden, aangezien de ontbinding pas op 1 januari 2012 plaatsvond. De VOF bleef rechtens voortbestaan voor zover nodig voor de vereffening en afwikkeling van lopende processen. Daarom had opposante de VOF in verzet moeten dagvaarden en niet de voormalige vennoten in privé.
De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie dat een eenmaal aangevangen procedure tussen bepaalde partijen moet worden voortgezet tussen dezelfde partijen, en dat een vonnis tegen de VOF niet tegen de vennoten in privé kan worden geëxecuteerd. Ook al was de VOF in liquidatie, zij bleef partij in rechte.
Opposante werd daarom niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure. De rechtbank wees erop dat eventuele onjuiste gegevens in het handelsregister niet tegen derden kunnen worden tegengeworpen, maar dat dit niet tot ontvankelijkheid leidt.
Uitkomst: Opposante is niet ontvankelijk verklaard in haar verzet omdat zij de voormalige vennoten dagvaardde in plaats van de VOF die nog bestond in liquidatie.