ECLI:NL:RBROT:2012:BX7287
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij te late betaling griffierecht in verzetprocedure
In deze civiele procedure stond de te late betaling van het griffierecht door de gedaagde centraal, wat leidde tot een verstekvonnis in de oorspronkelijke procedure. De gedaagde stelde dat een misverstand met zijn advocaat omtrent een toevoeging de oorzaak was van de te late betaling en deed een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127 lid 3 Rv Pro.
De rechtbank constateerde dat het griffierecht pas op 23 juli 2012 was voldaan, terwijl de uiterste betaaldatum 4 juli 2012 was. Op grond van artikel 147 lid 3 Rv Pro zou het verstekvonnis bekrachtigd moeten worden, maar de rechtbank oordeelde dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd was vanwege het belang van de gedaagde bij toegang tot de rechter en de bijzondere aard van de verzetprocedure.
De rechtbank benadrukte dat de sanctie van bekrachtiging van het verstekvonnis in verzetprocedures een zware en definitieve consequentie heeft, omdat de zaak dan inhoudelijk niet wordt beoordeeld. Tevens speelde mee dat de rechtbank niet had gehandeld conform de wettelijke systematiek door de zaak niet aan te houden in afwachting van betaling, waardoor de gedaagde kon denken dat te late betaling zonder gevolgen zou blijven.
Gezien deze omstandigheden weegt het belang van toegang tot de rechter zwaarder dan de sanctie, waardoor het verstekvonnis niet werd bekrachtigd. De zaak zal worden voortgezet met een comparitie van partijen op 11 december 2012.
Uitkomst: Het verstekvonnis wordt niet bekrachtigd vanwege toepassing van de hardheidsclausule bij te late betaling van het griffierecht.