ECLI:NL:RBROT:2012:BY0667
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Eigendomskwestie kantoor en dakterras na beëindiging huurovereenkomst en verjaring
In deze civiele zaak staat centraal de eigendom van een kantoorruimte en een dakterras die sinds 1945 door gedaagde in gebruik zijn. De huurovereenkomst tussen partijen liep tot 1955, waarna gedaagde het kantoor zonder recht of titel in bezit heeft genomen. Eiser stelt dat gedaagde het kantoor slechts als houder voor hen heeft gehouden, beroepend op het interversieverbod, terwijl gedaagde zich beroept op verkrijgende verjaring.
De rechtbank stelt vast dat het gebruik van het kantoor door gedaagde vanaf 1955 niet op toestemming van eiser berustte en dat er geen andere titel was waardoor gedaagde het kantoor voor eiser hield. Hierdoor kwalificeert het gebruik als bezit, en is de verjaringstermijn van 30 jaar in 1985 voltooid, waardoor gedaagde eigenaar is geworden op grond van verkrijgende verjaring.
De vorderingen van eiser tot ontruiming en eigendom worden afgewezen, evenals het verbod op gebruik zonder toestemming. Ten aanzien van het dakterras boven de poort is de procedure aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen te reageren op verweren van gedaagde, die zich beroept op eigendom door huurovereenkomst en verjaring.
De rechtbank wijst de vordering van gedaagde tot eigendom van het kantoor toe en houdt verdere beslissing over het dakterras aan, waarbij het schriftelijk debat wordt voortgezet.
Uitkomst: Gedaagde is eigenaar van het kantoor door verjaring; beslissing over dakterras wordt aangehouden.