ECLI:NL:RBROT:2012:BY1762
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding werknemer wegens immateriële en vermogensschade na arbeidsongeschiktheid
De werknemer vorderde schadevergoeding van de werkgever wegens door hem geleden immateriële en vermogensschade, waaronder verlies aan verdienvermogen en zelfwerkzaamheid. Partijen kwamen overeen over de hoogte van de schade aan verdienvermogen (€ 284.955,00) en zelfwerkzaamheid (€ 225,00 per jaar), met verrekening van een voorschot van € 75.000,00.
Het geschil betrof met name de hoogte van het smartengeld en de verschuldigdheid van dwangsommen. De werknemer stelde immateriële schade te hebben geleden door concentratie- en geheugenstoornissen, depressieve klachten en sociaal isolement. De deskundige bevestigde stemmingswisselingen en chronische moeheid zonder neurologische afwijkingen. De rechtbank oordeelde dat het letsel minder ernstig was dan in vergelijkbare zaken met hogere smartengeldbedragen en stelde het smartengeld vast op € 25.000,-- met wettelijke rente vanaf 1 december 1998.
De vordering tot verbeurde dwangsommen werd door de kantonrechter onbevoegd verklaard wegens absolute bevoegdheidsregels. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van € 220.017,-- voor verlies aan verdienvermogen en zelfwerkzaamheid, € 25.000,-- smartengeld, en € 14.198,-- buitengerechtelijke incassokosten, allen vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot betaling van € 220.017,-- schadevergoeding, € 25.000,-- smartengeld en incassokosten, met wettelijke rente; de vordering tot dwangsommen is niet-ontvankelijk verklaard.