ECLI:NL:RBROT:2012:BY3304
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Bijl-de Jong
- Poppe-Gielesen
- Jordaan
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging terbeschikkingstelling wegens gemaximeerde duur bij geweldsdelict onduidelijkheid
Bij vonnis van 19 april 2004 is aan de terbeschikkinggestelde een terbeschikkingstelling met verpleging opgelegd wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De maatregel is sindsdien meerdere malen verlengd, laatstelijk met twee jaar in 2011. Op 12 september 2012 verzocht het openbaar ministerie om verlenging van de maatregel met één jaar.
De rechtbank behandelde de vordering op 30 oktober 2012 in openbare raadkamer, waarbij de officier van justitie, de terbeschikkinggestelde en diens raadsman en de deskundige werden gehoord. De officier van justitie stelde dat er geen sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling en dat het recidivegevaar hoog blijft.
De raadsman voerde aan dat de maatregel niet is opgelegd voor een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en dat het vonnis van 2004 geen motivering bevat zoals vereist, waardoor de duur beperkt is tot vier jaar. De rechtbank overwoog dat volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Gerechtshof Arnhem bij ontbreken van een dergelijke motivering de maatregel gemaximeerd is.
De bewezenverklaring uit 2004 vermeldt dat de terbeschikkinggestelde met een bijl een ruit heeft ingeslagen en dreigde iemand te vermoorden, maar dit geeft niet zonder meer uitsluitsel over de kwalificatie als geweldsdelict. Daarom oordeelt de rechtbank dat de maatregel gemaximeerd is en wijst zij de verlengingsvordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging af wegens gemaximeerde duur.