ECLI:NL:RBROT:2012:BY5242

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1341952
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:179 BWArt. 6:166 BWArt. 6:210 BWArt. 6:119 BWArt. 237 lid 4 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor schade door hondenbeten en gebroken kaak van hond

Eiser stelt dat de honden van gedaagden losliepen in het park en zijn hond Bincky ernstig hebben verwond met bijtwonden en een gebroken kaak. De dierenarts constateerde de verwondingen op 30 november 2011 en behandelingskosten bedroegen €1.783,36. Eiser ontving een uitkering van zijn verzekering van €1.411,74, waarna hij de eigen bijdrage van €371,62 en bijkomende kosten vordert van gedaagden.

Gedaagden betwisten de vordering en voeren aan dat de honden aan het spelen waren en dat een derde hond mogelijk betrokken was. Zij wensen niet dat hun honden als gevaarlijk worden bestempeld. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 6:179 BW Pro de eigenaren aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door hun honden. Omdat niet is vastgesteld welke hond de schade heeft veroorzaakt, past de rechtbank het leerstuk van groepsaansprakelijkheid toe (artikel 6:166 BW Pro), waardoor gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn.

De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de eigen bijdrage en de wettelijke rente toe, maar wijst de buitengerechtelijke kosten af wegens te hoge aanmaning. Tevens worden gedaagden veroordeeld in de proceskosten, met een beperking van griffierechtkosten vanwege de te hoge vordering door eiser. De afwikkelingskosten worden afgewezen wegens onvoldoende gegevens. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de resterende behandelingskosten en rente wegens de door hun honden veroorzaakte schade.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector kanton
Locatie Rotterdam
vonnis
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: Loyens & Loeff N.V. te Rotterdam,
tegen
1. [gedaagde sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
in persoon
Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]”, “[gedaagde sub 1]” en “[gedaagde sub 2]”.
1. Het verloop van het proces
1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.
• het exploot van dagvaarding van 20 april 2012;
• het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2];
• het tussenvonnis d.d. 1 mei 2012 waarin de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast;
• het proces-verbaal van de op 31 mei 2012 gehouden comparitie van partijen;
• de conclusie van repliek, tevens houdende vermindering van eis;
• de schriftelijke reacties d.d. 2 augustus 2012 en 6 augustus 2012 van [gedaagde sub 2] respectievelijk [gedaagde sub 1];
• de door partijen overgelegde bescheiden.
1.2 De uitspraak is door de kantonrechter nader bepaald op heden.
2. De vaststaande feiten
2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.
2.2 Door de heer R.J.Th. Bosch, dierenarts, is op 30 november 2011 geconstateerd dat Bincky - de hond van [eiser] - diverse bijtwonden en een gebroken kaak had.
2.3 De totale behandelingskosten van de dierenarts bedroegen € 1.783,36.
2.4 [eiser] heeft op 2 april 2012 aangifte gedaan van het voorval bij de politie [woonplaats]-Rijnmond.
2.4 [eiser] heeft bij Proteq Schadeverzekeringen N.V. een Proteq Dier & Zorg verzekering afgesloten. Ter vergoeding van de behandelingskosten van Bincky heeft [eiser] van Proteq een uitkering ontvangen van € 1.411,74. Dit bedrag bestaat uit de totale behandelingskosten van Bincky ad € 1.783,36 minus de eigen bijdrage van [eiser] ad € 371,62.
3. De vordering
3.1 [eiser] heeft, na wijziging van zijn eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], hoofdelijk, te veroordelen aan hem te betalen € 638,62 met rente en kosten.
3.2 Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat de honden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] los liepen in het park en uit eigen beweging de aanval op Bincky hebben ingezet. Door de aanval van de honden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is Bincky ernstig gewond geraakt. De verwondingen bestonden uit een gebroken kaak, meerdere bijtwonden en verschillende kneuzingen. Bincky is verschillende keren door de dierenarts behandeld. [eiser] heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] diverse malen aangemaand om de door hem geleden schade te vergoeden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn met vergoeding van de schade in gebreke gebleven. Nu zijn verzekering een bedrag ad € 1.411,74 heeft uitgekeerd vordert [gedaagde sub 2] thans nog het bedrag aan eigen bijdrage ad € 371,62 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een bedrag ad € 267,00 ter zake buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente vanaf 3 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.
4. Het verweer
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de vordering betwist en hebben - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat de honden met elkaar aan het spelen waren. Er was een hoop drukte. Pas thuis bleek dat de kaak van Bincky was gebroken. Het is spelenderwijs gebeurd. Er was ook nog een derde hond bij betrokken. Waarschijnlijk is één van de honden op Bincky gesprongen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben voorts aangevoerd dat hun belangrijkste bezwaar is dat zij niet willen dat hun honden als gevaarlijke honden worden aangemerkt.
5. De beoordeling van de vordering
5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehouden zijn een bedrag ad € 371,62 ter zake door [eiser] geleden schade aan [eiser] te voldoen.
5.2 Op grond van art. 6:179 BW Pro zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bezitter aansprakelijk voor enige door hun honden aangerichte schade. Tussen partijen is niet in geschil dat de verwondingen van Bincky zijn opgelopen tijdens een confrontatie van Bincky met de honden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Echter, niet is vastgesteld welk van de honden de verwondingen bij Bincky heeft aangericht, zodat aansluiting zal worden gezocht bij het leerstuk van de groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW Pro). Gelet op hierop zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], als bezitter van hun hond, hoofdelijk aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Dat er mogelijkerwijs nog een derde hond bij betrokken was, doet aan de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet af. Indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] menen dat tegen die derde ook een vonnis dient te gewezen worden, hadden zij deze derde middels een oproep in vrijwaring op grond van art.6:210 BW Pro in het geding kunnen betrekken. De (gewijzigde) hoofdsom ligt, gelet op het voorgaande, voor toewijzing gereed.
5.3 De rente wordt, als onweersproken en op de wet gegrond, eveneens toegewezen.
5.4 In de buitengerechtelijke fase heeft [eiser] voor een te hoog bedrag aangemaand, hetgeen aanleiding is de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten af te wijzen.
5.5 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure. Voor zover het griffierecht een bedrag van € 73,00 overschrijdt, dient het meerdere als nodeloos gemaakte kosten voor rekening van [eiser] te blijven. [eiser] heeft in de inleidende dagvaarding immers een te hoog bedrag gevorderd. Zou hij het ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding toewijsbare bedrag gevorderd hebben, dan zou € 73,00 aan griffierecht in rekening zijn gebracht.
5.6 De door [eiser] gevorderde afwikkelingskosten (nakosten) worden afgewezen, nu voldoende gegevens ontbreken om die kosten reeds thans te kunnen begroten. Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het [eiser] vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 Rv Pro.
6. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 371,62, vermeerderd met de rente in de zin van art. 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 3 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], eveneens hoofdelijk, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 177,64 aan verschotten en € 180,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.