ECLI:NL:RBROT:2012:BZ1116
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onweerlegbaar rechtsvermoeden en gezamenlijke huishouding bij bijstandsuitkering
De rechtbank Rotterdam heeft in deze tussenuitspraak vastgesteld dat het jongste kind van eisers ten tijde van de aanvang van de periode in geding achttien jaar en twee maanden oud was. Hierdoor mocht verweerder niet zonder meer het onweerlegbaar rechtsvermoeden toepassen zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de Wet werk en bijstand (Wwb).
Verweerder had bij besluiten van 16 februari 2011 de bijstandsuitkering van eiseres herzien en ingetrokken en de terugvordering van te veel ontvangen bijstand opgelegd. Na onderzoek en buurtonderzoeken concludeerde verweerder dat eisers een gezamenlijke huishouding voerden in de periode van 8 december 2008 tot en met 31 januari 2011.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar het criterium van wederzijdse zorg, terwijl dit vereist is wanneer het jongste kind ouder is dan achttien jaar. De onderzoeksbevindingen van verweerder over het gezamenlijke hoofdverblijf werden wel als toereikend beschouwd. De rechtbank gaf verweerder zes weken de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen en wees op de mogelijkheid voor eisers om daarop te reageren.
De uitspraak is een tussenuitspraak en er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze beslissing, maar wel tegen de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verweerder het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet zonder meer mocht toepassen en geeft hem zes weken om het besluit te herstellen.