ECLI:NL:RBROT:2012:BZ1118

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/2836(b), AWB 11/2837(b) tussenuitspraak
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, vierde lid, aanhef en onder b WWBArt. 3, derde lid WWBArt. 8:80a AwbArt. 26 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Rotterdam komt terug op toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden in WWB

In deze bestuursrechtelijke tussenuitspraak van 29 november 2012 heeft de rechtbank Rotterdam haar eerdere oordeel heroverwogen over de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden in het kader van de WWB. In de eerste tussenuitspraak had de rechtbank geoordeeld dat het rechtsvermoeden niet zonder meer toegepast mocht worden omdat het jongste kind van eisers ouder was dan achttien jaar. Dit oordeel werd als een bindende eindbeslissing beschouwd.

Na verwijzing door verweerder naar recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad, waarin werd vastgesteld dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden ongeacht de leeftijd van het jongste kind van toepassing is, heeft de rechtbank aangekondigd dit oordeel te herzien in de einduitspraak. De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven zich binnen twee weken uit te laten over dit voornemen.

De uitspraak benadrukt het belang van de bestuurlijke lus volgens de Awb, die in uitzonderlijke gevallen toestaat dat een rechter terugkomt op een eerder bindend oordeel via een nieuwe tussenuitspraak. Hiermee wordt aangesloten bij actuele jurisprudentie en wordt de rechtszekerheid en consistentie in de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden gewaarborgd.

Uitkomst: De rechtbank is voornemens terug te komen op haar eerdere oordeel en biedt partijen gelegenheid zich hierover uit te laten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11/2836
AWB 11/2837
tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 29 november 2012 in de zaak tussen
Eiser, te woonplaats, eiser,
Eiseres, te woonplaats, eiseres,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
gemachtigde: mr. L.M. Deiman,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. H.H. Nicolaï.
Procesverloop
Op 23 augustus 2012 heeft de rechtbank een eerste tussenuitspraak gedaan op de beroepen van eisers in de zaken met de zaaknummers AWB 11/2836 en AWB 11/2837.
Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar deze uitspraak.
Overwegingen
1. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank onder punt 3.2 overwogen: “De rechtbank merkt echter – ambtshalve toetsend – op dat het jongste kind van eisers is geboren op 5 oktober 1990 en wijst verweerder op jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 april 2008, LJN BD0478) waarin is bepaald dat temporeel onbeperkte toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) komt indien het (jongste) kind de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Ten tijde van de aanvang van de periode in geding was het jongste kind achttien jaar en twee maanden oud. Dit betekent dat verweerder niet gerechtigd was om met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB het bestaan van een gezamenlijke huishouding in het geval van eiser en eiseres zonder meer – dat wil zeggen zonder enig onderzoek naar de vraag of sprake is van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wwb – aan te nemen.”
2. In reactie op deze uitspraak heeft verweerder de rechtbank bij brief van 6 september 2012 gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 juni 2010 (LJN: BM8024) waarin de Centrale Raad van Beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2009 (LJN: BH2580), heeft overwogen dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing is ongeacht de leeftijd van de uit de relatie geboren kinderen.
3. Eisers hebben hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet nader gereageerd.
4. De rechtbank beschouwt de onder punt 1 aangehaalde overweging als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordeel. De rechtbank is in beginsel gebonden aan een dergelijke in een tussenuitspraak gegeven bindende eindbeslissing. Uit de parlementaire geschiedenis van de behandeling van het wetsvoorstel Wet Vermeij, Koopmans, Neppérus bestuurlijke lus Awb (kamerstukken II, 2007-2008, 31 352, nr. 6, memorie van toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State, paragraaf 6) blijkt dat in een uitzonderlijk geval de bestuursrechter op een dergelijk oordeel kan terugkomen, waarbij wordt aangegeven dat dit zou dienen te geschieden in de vorm van een nieuwe tussenuitspraak.
5. Gezien de door verweerder onder de aandacht van de rechtbank gebrachte jurisprudentie van de Hoge raad en de Centrale Raad van Beroep over het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de Wwb, die niet in overeenstemming is met de jurisprudentie die de rechtbank aanhaalde in haar eerste tussenuitspraak, is te verwachten dat het oordeel van de rechtbank over de voor eisers geldende temporeel beperkte toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden omdat de uit de relatie van eisers geboren kinderen ouder zijn dan achttien jaar, in hoger beroep geen stand zal houden. De rechtbank is daarom voornemens in haar einduitspraak terug te komen op het oordeel dat in het geval van eisers het onweerlegbare rechtsvermoeden niet van toepassing is.
6. Omdat de rechtbank voornemens is terug te komen op dit oordeel, zal zij partijen de gelegenheid bieden om zich daarover uit te laten.
Beslissing
De rechtbank:
stelt partijen in de gelegenheid om zich binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak uit te laten over het voornemen van de rechtbank terug te komen op het in de tussenuitspraak van 23 augustus 2012 gegeven rechtsoordeel dat verweerder niet gerechtigd was om met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wwb het bestaan van een gezamenlijke huishouding in het geval van eiser en eiseres zonder meer – dat wil zeggen zonder enig onderzoek naar de vraag of sprake is van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wwb – aan te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2012.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak kan is geen hoger beroep mogelijk. Tegen deze tussenuitspraak kan tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de uiteindelijk te wijzen uitspraak hoger beroep worden ingesteld.