De werknemer trad in 2008 in dienst bij Fair Play Centers B.V. als medewerker amusementscenter en was tevens Verantwoordelijke van Dienst (VvD). Op 4 mei 2013 werd vastgesteld dat €10.000 ontbrak uit een kluis waarvoor de werknemer mede verantwoordelijk was. Na onderzoek door de afdeling Beveiliging en meerdere gesprekken met de werknemer, werd deze op 16 juli 2013 op non-actief gesteld en op 3 augustus 2013 op staande voet ontslagen wegens geconstateerde onregelmatigheden.
De werknemer betwistte de reden voor het ontslag en vorderde in kort geding zijn wedertewerkstelling en doorbetaling van loon. Hij stelde dat de reden voor het ontslag onduidelijk was en dat niet vaststond dat hij de €10.000 had weggenomen. Fair Play stelde een strikt zero-tolerancebeleid te hanteren en voerde aan dat de werknemer tegenstrijdige verklaringen had afgelegd en het vertrouwen had geschaad.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer een spoedeisend belang had, maar dat niet met voldoende zekerheid kon worden aangenomen dat het ontslag op staande voet standhoudt. De verklaringen van de werknemer waren tegenstrijdig en de werkgever had goede gronden voor non-actiefstelling. Echter, de voorlopige voorzieningen werden afgewezen omdat een bodemrechter nog zou moeten beoordelen of er een dringende reden was.
De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. A.J. Japenga en uitgesproken op 20 november 2013.