AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag vergoeding depositogarantiestelsel voor achtergestelde deposito's
Eiseres diende een aanvraag in bij De Nederlandsche Bank (DNB) voor vergoeding uit het depositogarantiestelsel (DGS) met betrekking tot haar vorderingen op een gefailleerde bank. DNB had eerder al de maximale vergoeding van €100.000 toegekend op basis van haar concurrente vorderingen en liet de achtergestelde deposito's buiten beschouwing. Na een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat ook achtergestelde deposito's onder het DGS vallen, diende eiseres een nieuwe aanvraag in die door DNB werd afgewezen.
Eiseres stelde dat zij zelf mocht kiezen voor welke vorderingen zij een vergoeding aanvraagt, en dat DNB ten onrechte niet was teruggekomen op de eerdere toekenning. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 3:261 vanPro de Wft DNB bij elke aanvraag zelfstandig de omvang van de vorderingen moet vaststellen en dat een aanvraag slechts betrekking kan hebben op het geheel van vorderingen. DNB mag de vergoeding toerekenen aan de vorderingen die zij passend acht, waarbij eerst concurrente vorderingen worden vergoed en daarna pas achtergestelde.
De rechtbank vond de werkwijze van DNB niet kennelijk onredelijk en verwierp het beroep van eiseres. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 21 maart 2013.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot vergoeding uit het depositogarantiestelsel wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 12/1247
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 20013 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
gemachtigde: mr. G.C. Kranendonk,
en
de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,
gemachtigde: mr. S.C.M. Nuyten.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2011 heeft DNB eiseres’ aanvraag om vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel (het DGS) afgewezen.
Bij besluit van 16 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
DNB heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens DNB zijn verschenen haar gemachtigde, vergezeld door mr. N.L.F. van der Scheer en mr. A. Veuskens.
Overwegingen
1.
Bij besluit van 17 december 2009 heeft DNB de waarde van eiseres vordering die voor voldoening onder het DGS in aanmerking komt, vastgesteld op een bedrag van € 266.557,15 en aan haar de maximale vergoeding van € 100.000,- uit hoofde van het DGS uitgekeerd. Hierbij is eiseres’ achtergestelde depositorekening met een waarde van € 250.000,- buiten beoordeling gelaten. Nadat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb) bij uitspraak van 30 juni 2011 (LJN: BQ9755) overwogen had dat ook achtergestelde depositorekeningen, gehouden bij DSB, onder het DGS vallen, heeft DNB de houders van achtergestelde depositorekeningen bij DSB, waaronder dus eiseres, in staat gesteld alsnog een verzoek om een vergoeding uit hoofde van het DGS in te dienen.
Bij aanvraag van 23 oktober 2011 heeft eiseres daartoe een aanvraag bij DNB ingediend, die DNB heeft afgewezen omdat zij aan eiseres reeds de maximale vergoeding van € 100.000,- had uitgekeerd, welke afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2.
Op grond van artikel 3:261, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (de Wft) zoals de Wft luidde ten tijde hier van belang stelt DNB bij de toepassing van een vangnetregeling met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde de omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking komen en de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers of depositohouders, alsmede de hoogte van de vergoeding van de vorderingen.
Op grond van het derde lid treedt DNB in de rechten die een belegger of depositohouder terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voor zover zij een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan die belegger of depositohouder heeft betaald.
3.
Onder verwijzing naar de vermelde uitspraak van het CBb, heeft eiseres betoogd dat DNB bij het bestreden besluit in strijd met artikel 3:261 vanPro de Wft ten onrechte niet is terugkomen op de eerdere toekenning bij het besluit van 17 december 2009, wat betreft de vaststelling van haar vorderingen op de gefailleerde bank die voor vergoeding uit hoofde van het DGS in aanmerking komen. In plaats van de toekenning van de maximale vergoeding voor haar concurrente vorderingen op de gefailleerde bank, zoals volgt uit het besluit van 17 december 2009, had DNB volgens eiseres bij het bestreden besluit moeten vaststellen dat de toegekende vergoeding uitsluitend betrekking had op de achtergestelde vordering. Eiseres heeft zich in dat verband primair op het standpunt gesteld dat DNB miskent dat zijzelf kan beslissen voor welke van haar vorderingen zij een aanvraag om vergoeding uit hoofde van het DGS indient.
3.1
Dat standpunt is onjuist. De rechtbank is met DNB van oordeel dat uit artikel 3:261, eerste lid, van de Wft volgt dat DNB bij iedere aanvraag om een vergoeding uit hoofde van het DGS de omvang van de vorderingen van de desbetreffende aanvrager die voor vergoeding in aanmerking komen zelfstandig en volledig moet vaststellen. Het DGS, zoals nader vormgegeven bij de desbetreffende artikelen van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (het Besluit), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, bood niet de mogelijkheid aan eiseres nog daargelaten of zij geacht kan worden dat te hebben gedaan haar aanvraag te beperken tot één van haar vorderingen op de gefailleerde bank. Een aanvraag om vergoeding uit hoofde van het DGS kon dus alleen betrekking hebben op het geheel van de vorderingen van de aanvrager, waarna het aan DNB was de waarde daarvan vast te stellen op de wijze als bij het Besluit voorzien.
3.2
Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat DNB niet de vergoeding die zij toekent mag toerekenen aan de vorderingen die naar haar inzicht daarvoor in aanmerking komen. Terecht heeft DNB in dit verband gewezen op het bepaalde bij artikel 4:92, tweede lid, van de Awb. Dat DNB bij de toekenning van vergoeding uit hoofde van het DGS, met het oog op een maximale verhaalsmogelijkheid op de failliete boedel, die eerst toewijst aan concurrente vorderingen en daarna pas aan achtergestelde vorderingen acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk. In de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen om daarover in dit geval anders te oordelen. Ook hierin was dus geen grond gelegen die DNB noopte tot het terugkomen op het besluit van 17 december 2009 op de door eiseres bepleite wijze.
3.3
De slotsom is dat het betoog faalt.
4.
Het bestreden besluit kan in stand worden gelaten en het beroep is ongegrond.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.M. van der Kuil, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.