Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1],
[eiser 2],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eisers].
Rechtbank Rotterdam
Eisers zijn eigenaar van een horecapand met bijbehorende woonruimte die zij als één geheel willen verhuren. De onderhuurder, gedaagde, woont in de woonruimte boven het café en beroept zich op huurbescherming op grond van artikel 7:269 BW Pro.
De rechtbank toetst of de woonruimte zelfstandig is of onderdeel van de bedrijfsruimte. Gelet op het arrest HR 28 januari 1994 en de feitelijke situatie, waaronder één cv-ketel en één gas- en elektriciteitsvoorziening, oordeelt de rechtbank dat de woonruimte een afhankelijke woonruimte is behorend bij de bedrijfsruimte. De huurovereenkomst tussen eiser en hoofdhuurder was gericht op bedrijfsruimte met een ondergeschikte woonruimte.
De rechtbank concludeert dat gedaagde geen huurbescherming toekomt en wijst de ontruimingsvordering toe. De machtiging om zelf met de sterke arm te ontruimen wordt afgewezen, omdat dit exclusief aan de deurwaarder toekomt. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde tot ontruiming van de woonruimte binnen tien dagen en wijst de vordering toe.