Eiseres kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het vervoeren van een ernstig gewond varken dat extra lijden heeft ondervonden tijdens het transport. De diergeneeskundige verklaring stelde vast dat het dier al voor het transport een grote, pijnlijke verdikking aan het oor had, die drie tot vier weken oud was. De rechtbank oordeelde dat het transport het lijden van het dier heeft verergerd.
Eiseres betwistte de feiten en stelde dat de verwonding mogelijk tijdens het transport was ontstaan en dat zij geen mogelijkheid had gehad tot een contra-expertise. De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat de diergeneeskundige verklaring zwaarwegend was en er geen wettelijke verplichting bestond voor contra-expertise. Ook was de overtreding toe te rekenen aan eiseres als vervoerder van de dieren.
Verder stelde eiseres dat de boete onredelijk hoog was en dat een waarschuwing had moeten worden gegeven. De rechtbank stelde dat de boete proportioneel was en dat een waarschuwing niet verplicht was volgens de geldende beleidsregels. Het beroep werd ongegrond verklaard en de boete van €1.500 bleef in stand.