Eiser kreeg een boete opgelegd wegens het vermeende gebruik van een gewasbeschermingsmiddel met de werkzame stof glyfosaat op sloottaluds, wat verboden is volgens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De toezichthouders constateerden verkleuringen aan de vegetatie op het perceel en namen een bodemmonster dat na ruim acht maanden werd onderzocht, waaruit glyfosaat werd aangetroffen. Eiser ontkende het gebruik en stelde dat het perceel pas vanaf april 2010 in zijn gebruik was en dat hij pas vanaf mei 2010 had gespoten met een ander middel.
De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop tussen monstername en bekendmaking van de analyse aan eiser onzorgvuldig was en dat het ontbreken van een contra-monster en een onderbouwing van het gehalte glyfosaat onvoldoende bewijs leverden om de overtreding aan eiser toe te rekenen. Ook kon niet worden uitgesloten dat het glyfosaat afkomstig was van achtergrondvervuiling of historisch gebruik door een vorige gebruiker.
Daarom werd het boetebesluit vernietigd, het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten. De rechtbank zag geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.