De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis in kort geding waarbij opposanten zonder recht of titel de bedrijfsruimte van geopposeerde hadden gekraakt. Geopposeerde had een huurovereenkomst gesloten met een derde partij, waardoor hij aanspraak maakte op huurpenningen die door de kraak niet konden worden geïncasseerd.
De rechtbank stelt vast dat opposanten de bedrijfsruimte zonder toestemming in gebruik hadden genomen en daarmee onrechtmatig handelden jegens geopposeerde. Hoewel opposanten stelden dat zij al voor het sluiten van de huurovereenkomst huisrecht hadden gevestigd, werd dit niet aannemelijk gemaakt. De schade van geopposeerde bestond uit gemiste huurinkomsten over de periode december 2012 tot en met mei 2013.
De rechtbank veroordeelt opposanten hoofdelijk tot betaling van een deel van de niet geïncasseerde huurinkomsten, namelijk voor de maanden maart en april 2013 gezamenlijk en voor opposant 1 ook voor de maanden december 2012, januari, februari en mei 2013. De overige vorderingen, waaronder kosten voor herstel van de bedrijfsruimte en onderzoekskosten, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Verder worden opposanten veroordeeld in de proceskosten van zowel de verstekprocedure als de verzetprocedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.