Verzoeker, een ambtenaar werkzaam bij de gemeente Rotterdam, werd geschorst en zijn bezoldiging ingehouden wegens vermoedens van ernstig plichtsverzuim, waaronder het lenen van geld van collega’s zonder terugbetaling. Na een integriteitsonderzoek en meerdere gesprekken werd een voornemen tot ontslag genomen. Verzoeker maakte bezwaar tegen de inhouding van zijn salaris en vroeg om een voorlopige voorziening om dit te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was, aangezien verzoeker sinds 7 juni 2013 zonder inkomsten zat. De gedragingen van verzoeker werden als ernstig plichtsverzuim aangemerkt, mede vanwege zijn functie als teamleider waarbij hoge integriteitseisen gelden. De verklaringen van de collega’s werden niet voorshands als ongeloofwaardig beoordeeld en het niet nakomen van betalingsafspraken versterkte het vermoeden.
De rechtbank vond dat de schorsing en inhouding van de bezoldiging geen onredelijk gebruik van bevoegdheid vormden, ook al had een minder vergaande maatregel mogelijk kunnen zijn. Daarnaast was verzoeker voldoende geïnformeerd over de beschuldigingen. Gezien deze overwegingen bleef het bestreden besluit in stand en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.