De zaak betreft een bestuurlijke boete van €600,- opgelegd door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet. De boete werd opgelegd aan eiser, die een café exploiteert waar tijdens een inspectie werd gerookt en een vrouw met donker haar werkzaamheden verrichtte achter de bar. De minister kwalificeerde deze vrouw als werknemer, waardoor eiser als werkgever werd aangemerkt en aansprakelijk werd gesteld.
Eiser voerde in beroep aan dat de vrouw slechts incidenteel en onbezoldigd hand- en spandiensten verrichtte en daarmee niet als werknemer kon worden aangemerkt. De rechtbank toetste de definitie van werknemer aan de Arbeidsomstandighedenwet, zoals ook in de Nota van Toelichting bij het Besluit uitvoering rookvrije werkplek wordt gehanteerd, en concludeerde dat de vrouw niet als werknemer kan worden beschouwd omdat zij als vrijwilliger arbeid verrichtte.
De rechtbank oordeelde dat het ruimere begrip werknemer in de Tabakswet niet verder mag worden opgerekt dan de definitie in de Arbeidsomstandighedenwet, mede vanwege het bepaaldheidsbeginsel in de Algemene wet bestuursrecht. Omdat eiser geen vennootschap of sportorganisatie is, is de vernauwing van het begrip vrijwilliger niet van toepassing. De boete werd daarom ten onrechte opgelegd en het bestreden besluit werd vernietigd. Tevens werd eiser vrijgesteld van de verplichting tot het instellen van een rookverbod vanwege de kleine oppervlakte van het café. De minister werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed.